Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2044

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
12-4297 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Maatregel. Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening van het bestaan. De rechtbank heeft in de uitspraak te kennen gegeven dat nog niet vaststaat dat een maatregel van 100% stand kan houden. Van belang hierbij is dat in het advies van de bezwaarcommissie staat dat betrokkene, mits hij nog als oproepkracht werkzaam zou zijn geweest, in ieder geval minimaal een maand slechts gedeeltelijk bijstand had hoeven te ontvangen. Het betoog van het college dat het bestreden besluit overeenkomstig de aangevallen uitspraak is genomen slaagt derhalve niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/4297 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van 19 juni 2012, 11/682 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Emmen (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 augustus 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.F. Teune. Betrokkene is in persoon verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Betrokkene ontvangt sinds 26 november 2009 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Bij besluit van 24 november 2010 heeft appellant de bijstand van betrokkene met ingang van 1 november 2010 voor de periode van een maand met 50% verlaagd, wegens het niet of in onvoldoende mate gebruikmaken van een door appellant aangeboden voorziening gericht op arbeidsinschakeling als bedoeld in artikel 9, eerste lid, sub b, en artikel 10, eerste lid, van de WWB, waaronder begrepen sociale activering.

1.3.

Bij besluit van 9 mei 2011 heeft appellant de bijstand van betrokkene vanaf 1 april 2011 gedurende een maand met 100% verlaagd wegens het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB in samenhang met artikel 7, vierde lid, onder b, en artikel 8, eerste lid, onder d, van de Maatregelenverordening Wet werk en bijstand (Verordening). Op grond van recidive heeft appellant de duur van de maatregel verdubbeld naar twee maanden.

1.4.

Bij besluit van 17 augustus 2011 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van 9 mei 2011, onder wijziging en aanvulling van de motivering, ongegrond verklaard. Appellant heeft gesteld dat indien iemand door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid heeft verloren aan hem een maatregel kan worden opgelegd wegens ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid in de voorziening van het bestaan op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB in samenhang met de artikelen 9, 10 en 14 van de Verordening. Gelet op de ernst van de gedraging en het doel van de regeling is een maatregel van 100% op zijn plaats. In verband met recidive heeft appellant de maatregel verdubbeld naar twee maanden.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover van belang, het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en het besluit van

9 mei 2011 herroepen. In het bestreden besluit heeft appellant erkend dat het door eigen toedoen niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet kan worden gekwalificeerd als het niet nakomen van verplichtingen genoemd in artikel 9 van de WWB. De aan betrokkene opgelegde maatregel is er op gebaseerd dat hem verweten wordt dat hij door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden. Nu artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening het opleggen van een maatregel betreft wegens het niet nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 9 van de WWB en in artikel 9 van de WWB niet de verplichting is opgenomen om algemeen geaccepteerde arbeid te houden, kan ter zake van het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid niet op grond van artikel 10, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening een maatregel worden opgelegd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de gedingstukken onvoldoende basis bieden om aan te nemen dat het voor betrokkene geheel onmogelijk was om te werken, zodat betrokkene ter zake van de werkloosheid een verwijt kan worden gemaakt. Betrokkene heeft tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan betoond. Dit betekent dat appellant op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB in verbinding met artikel 14, eerste lid, van de Verordening gehouden is betrokkene een maatregel op te leggen. Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Verordening dient appellant die maatregel af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Appellant zal bij het opnieuw vaststellen van de hoogte en de duur van de maatregel in dit geval moeten bezien welke periode betrokkene, als gevolg van zijn gedraging, eerder of langer recht heeft op bijstand.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij is, samengevat, aangevoerd dat appellant in het bestreden besluit de maatregel heeft opgelegd op grond van artikel 18 van de WWB en artikel 14 van de Verordening omdat betrokkene ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid in de voorziening van zijn bestaan heeft betoond door zijn werk niet te behouden. Het bestreden besluit is genomen overeenkomstig het gestelde in de aangevallen uitspraak.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geconstateerd dat aan betrokkene een maatregel is opgelegd omdat hem wordt verweten dat hij door eigen toedoen algemeen geaccepteerde arbeid niet heeft behouden. Aan de maatregel is artikel 10, eerste lid, onder d, van de Verordening in samenhang met artikel 9, vierde lid, van de Verordening ten grondslag gelegd. Artikel 10 eerste lid, onder d, van de Verordening heeft betrekking op artikel 9 van de WWB waarin de plicht tot arbeidsinschakeling tot uitdrukking komt wat betreft het verkrijgen en aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid. In artikel 9 van de WWB is niet de verplichting opgenomen om algemeen geaccepteerde arbeid te behouden. Appellant heeft gesteld om die reden het bestreden besluit te hebben gewijzigd in de zin dat het betrokkene wordt verweten dat hij ongenoegzaam besef van verantwoordelijkheid in de voorziening van het bestaan heeft betoond. Op grond hiervan heeft appellant aan het bestreden besluit

artikel 18 van de WWB en artikel 14 van de Verordening ten grondslag gelegd. Met appellant heeft ook de rechtbank geoordeeld dat betrokkene tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond. Dit betekent volgens de rechtbank dat appellant op grond van artikel 18, tweede lid, van de WWB in verbinding met artikel 14, eerste lid, van de Verordening gehouden is betrokkene een maatregel op te leggen. Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Verordening dient appellant die maatregel af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van betrokkene. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat appellant een nieuw besluit dient te nemen op grond van artikel 14, tweede lid, van de Verordening waarbij appellant bij de vaststelling van de hoogte en de duur van de maatregel moet bezien over welke periode betrokkene geen beroep op bijstand had hoeven te doen. De rechtbank heeft hiermee te kennen gegeven dat nog niet vaststaat dat een maatregel van 100% stand kan houden. Van belang hierbij is dat in het advies van de bezwaarcommissie staat dat betrokkene, mits hij nog als oproepkracht werkzaam zou zijn geweest, in ieder geval minimaal een maand slechts gedeeltelijk bijstand had hoeven te ontvangen. Het betoog van appellant dat het bestreden besluit overeenkomstig de aangevallen uitspraak is genomen slaagt derhalve niet.

4.2.

Uit 4.1 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is niet gebleken.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- bepaalt dat van het college een griffierecht van € 478,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door M. Hillen, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2013.

(getekend) M. Hillen

(getekend) J.T.P. Pot

HD