Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2043

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
12-3052 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Redelijke grond voor huisbezoek. Door de weigering van appellant zijn medewerking te verlenen aan het huisbezoek, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld, zodat het college bevoegd was tot intrekking van de bijstand (...).

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3052 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 april 2012, 11/4766 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.A.M. Hampsink, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 3 september 2013, waar partijen, met bericht, niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontving vanaf 2 februari 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand naar de norm voor een alleenstaande. Appellant staat sinds 6 mei 2009 ingeschreven bij de ouders van zijn ex-partner S. [Naam expartner S.]([S.]) op het adres [Adres A.] te [woonplaats]. Uit de relatie van appellant met [Naam expartner S.]zijn twee kinderen geboren.

1.2.

Naar aanleiding van een melding dat appellant en [Naam expartner S.]onlangs wederom samen een kind hebben gekregen, dat ingeschreven staat op het adres van [Naam expartner S.]aan de [Adres B.] te [woonplaats], heeft de afdeling Dienst Werk en Inkomen (DWI) van de gemeente [woonplaats] een onderzoek ingesteld naar de woon- en leefsituatie van appellant. In dat kader heeft dossieronderzoek plaatsgevonden en hebben twee handhavingspecialisten van DWI op 5 juli 2011 getracht een huisbezoek op het adres van appellant af te leggen. Appellant werd niet thuis aangetroffen. Vervolgens is appellant, daartoe opgeroepen, verschenen voor een gesprek bij DWI op 8 juli 2011. Tijdens dit gesprek heeft appellant erkend dat hij met [Naam expartner S.]in januari 2011 een kind heeft gekregen. Hij heeft verklaard dat hij geen relatie meer heeft met [S.], dat hij gemiddeld tweemaal per week op haar adres komt om de kinderen op te halen en dat hij alleen voor zijn oudste kind € 200,- alimentatie betaalt. Op de door appellant getoonde bankafschriften waren in de maanden maart 2011 tot en met juni 2011 overschrijvingen te zien aan [Naam expartner S.]van in totaal € 3.025,-. Over zijn pingedrag heeft appellant verklaard dat hij vaak bij een vriendin is, die in de [Adres B.] woont, en dat hij daarom in [woonplaats]-West pinde. Appellant heeft voorts verklaard dat hij de aan zijn

ex-schoonouders verschuldigde kosten van inwoning van € 300,- per maand al ruim een jaar niet heeft betaald. Omdat het dossieronderzoek en de banktransacties twijfel over de woonsituatie van appellant opriepen, is appellant tijdens het gesprek verzocht mee te werken aan een huisbezoek die dag. Het tijdstip kon worden aangepast om appellant de gelegenheid te geven zijn dochter op te halen. Appellant heeft zijn medewerking aan een huisbezoek in de loop van de middag van 8 juli 2011 geweigerd. Hij gaf als reden aan dat hij voornemens was die middag naar de moskee te gaan.

1.3.

Het college heeft in de resultaten van het onderzoek, zoals neergelegd in het rapport van bevindingen van 12 juli 2011, aanleiding gezien bij besluit van 18 juli 2011 de bijstand van appellant met ingang van 8 juli 2011 in te trekken op de grond dat appellant geweigerd heeft zijn medewerking aan een huisbezoek te verlenen. Hierdoor kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld.

1.4.

Bij besluit van 4 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 18 juli 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat geen sprake is van een weigering mee te werken aan een huisbezoek. Het was voor appellant onmogelijk om op 8 juli 2011 zijn medewerking hieraan te verlenen omdat hij zijn moskeebezoek die middag niet plotseling kon afzeggen. Voorts was er geen redelijke grond aanwezig voor het afleggen van een huisbezoek en heeft het college verzuimd hem op de hoogte te stellen van de gevolgen van het niet meewerken hieraan.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Indien de belanghebbende de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting niet in voldoende mate nakomt en als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of de belanghebbende verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, van de WWB, kan de bijstand worden geweigerd, beëindigd of ingetrokken.

4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 1 februari 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BP3831) kunnen aan het niet meewerken aan een huisbezoek eerst gevolgen worden verbonden in de vorm van het weigeren, beëindigen of intrekken van de bijstand indien voor dat huisbezoek een redelijke grond bestaat. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, onder meer in zijn uitspraak van 24 november 2009, (ECLI:NL:CRVB:2009:BK4057), is van een dergelijke grond sprake als voorafgaand

aan - dat wil zeggen: vóór of uiterlijk bij aanvang van - het huisbezoek duidelijk is dát en op grond van welke concrete objectieve feiten en omstandigheden redelijkerwijs kan worden getwijfeld aan de juistheid of de volledigheid van de door de betrokkene verstrekte gegevens, voor zover deze van belang zijn voor het vaststellen van (de omvang van) het recht op bijstand en niet op een andere effectieve en voor betrokkene minder belastende wijze kunnen worden geverifieerd. Is sprake van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek dan dient de belanghebbende erop te worden gewezen dat het weigeren van toestemming gevolgen kan hebben voor de verlening van bijstand.

4.3.

Gelet op de onder 1.1 genoemde feiten en omstandigheden, heeft het college redelijkerwijs kunnen twijfelen aan de juistheid van de opgave van appellant van zijn woonsituatie. Het verkrijgen van een zo betrouwbaar mogelijk beeld van de woon- en leefsituatie van appellant heeft het college niet op een andere effectieve en voor appellant minder belastende wijze dan door middel van een huisbezoek kunnen verifiëren. Dit betekent dat er een redelijke grond voor een huisbezoek was.

4.4.

Het college heeft onder de gegeven omstandigheden tevens terecht van appellant verlangd dat hij medewerking zou verlenen aan een onmiddellijk af te leggen huisbezoek. Anders dan appellant stelt, was hij niet bereid zijn medewerking te verlenen aan het huisbezoek die middag en heeft hij daarom geweigerd daaraan mee te werken. Aan het door appellant gewenste bezoek aan de moskee kan niet een zodanig gewicht worden toegekend dat het belang van het college om direct de woonsituatie te verifiëren, gelet op de mogelijkheid om daarin wijziging aan te brengen, zou moeten wijken. Het door appellant gewenste bezoek aan de moskee die middag ziet de Raad niet als een dergelijke reden. Dit wordt niet anders door het door appellant in hoger beroep overgelegde uittreksel uit Wikipedia, waarin slechts in het algemeen melding wordt gemaakt, dat van ongehuwde mannen wordt verwacht dat zij op vrijdag, juist na de hoogste zonnestand van die dag,

het middaggebed gezamenlijk in de moskee verrichten.

4.5.

De stelling van appellant dat de gevolgen van het weigeren aan een huisbezoek hem onvoldoende kenbaar zijn gemaakt, treft geen doel. Gerapporteerd is dat appellant hierop tijdens het gesprek op 8 juli 2011 diverse malen is gewezen. Bovendien heeft appellant die dag het formulier ‘Toestemming huisbezoek’ ondertekend, waarin is aangekruist dat hem is uitgelegd wat het doel van het afleggen van een huisbezoek is en dat het niet verlenen van toestemming hiervoor kan leiden tot afwijzing van de aanvraag om bijstand dan wel stopzetten van de bijstand.

4.6.

Door de weigering van appellant zijn medewerking te verlenen aan het huisbezoek, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld, zodat het college bevoegd was tot intrekking van de bijstand vanaf 8 juli 2011.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2013.

(getekend) J.F. Bandringa.

(getekend) A.C. Oomkens.

HD