Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2036

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
12-439 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toekenning bijzondere bijstand voor reiskosten naar de voedselbank in Roermond, omdat dit de goedkoopste en meest adequate voorziening voor appellante is.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/348
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/439 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

9 december 2011, 11/897 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Roerdalen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. L.E.I.K. Jaminon, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door E.M.M. Schroyen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door A.J.G. Kuijpers.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt vanaf 3 mei 2001 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Het college heeft de bijstand bij besluit van 10 januari 2007 vanaf 1 november 2006 ingetrokken, omdat appellante volgens het college vanaf deze datum een gezamenlijke huishouding voerde en daarom geen recht op bijstand had. Bij uitspraak in hoger beroep van 15 december 2009, LJN BK7214, heeft de Raad het intrekkingsbesluit herroepen. De nabetaling van de bijstand over de periode van

1 november 2006 tot en met 26 april 2007 heeft in mei 2010 plaatsgevonden. Bij besluit van 24 juli 2007 is aan appellante met ingang van 27 april 2007 weer bijstand verleend.

1.2.

Bij brief van 26 maart 2010 heeft appellante het college verzocht om vergoeding van de reiskosten en overige kosten die zij gedurende drie jaar in verband met haar bezoek aan de voedselbanken in Heinsberg en Haaren (Duitsland) heeft moeten maken.

1.3.

Bij besluit van 8 september 2010, voor zover van belang, heeft het college appellante bijzondere bijstand toegekend voor reiskosten in de periode van 1 november 2006 tot 27 april 2007 naar de voor appellante dichtstbijzijnde voedselbank in Roermond tot een bedrag van

€ 335,92.

1.4.

Bij besluit van 7 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 8 september 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat het verzoek van appellante om vergoeding van reiskosten moet worden opgevat als een aanvraag om bijzondere bijstand.

4.2.

In artikel 35, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, onverminderd paragraaf 2.2, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand, voor zover de alleenstaande of het gezin niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van het college niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, de langdurigheidtoeslag, het vermogen en het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, waarbij

artikel 31, tweede lid, en artikel 34, tweede lid, niet van toepassing zijn.

4.3.

Het college heeft zich op het standpunt gesteld dat gedurende de periode van 1 november 2006 tot en met 26 april 2007 een noodzaak bestond voor appellante om zich tot de voedselbank te wenden, aangezien zij in deze periode ten onrechte geen bijstand heeft ontvangen. Appellante heeft hiertegen aangevoerd dat zij ook na 26 april 2007 genoodzaakt was om naar de voedselbank te gaan. Appellante heeft in de periode van 1 november 2006 tot en met 26 april 2007 schulden gemaakt, die zij vanaf 27 april 2007 is gaan aflossen. Appellante was daarom niet in staat om in haar levensonderhoud te voorzien, te meer nu zij pas in 2010 de nabetaling heeft ontvangen.

4.4.

Vaststaat dat appellante vanaf 27 april 2007 weer bijstand heeft ontvangen, waaruit zij de kosten van levensonderhoud kon voldoen. Vanaf die datum is geen sprake meer van een noodzaak om de voedselbanken te bezoeken. Het bestaan van schulden levert geen bijzondere omstandigheid op om van dit oordeel af te wijken. Overigens is niet gebleken dat appellante verplicht was de door haar gestelde schulden af te lossen voordat zij de nabetaling in 2010 ontving. Evenmin is gebleken dat zij door de aflossing van deze schulden niet in haar levensonderhoud kon voorzien.

4.5.

Appellante heeft verder gesteld dat het college bij de bepaling van de hoogte van het bedrag aan te vergoeden kosten dient uit te gaan van de door haar feitelijk gemaakte reiskosten en de kosten die zij bij haar bezoeken aan de voedselbank in Duitsland verschuldigd was. Appellante wist niet dat er een voedselbank in Roermond was en zij schaamde zich om daar naar de voedselbank te gaan, omdat haar kinderen in Roermond naar school gaan. Bovendien is appellante van Duitse komaf, woont zij vlak bij de Duitse grens en is het voor haar voor de hand liggend om in Duitsland om hulp te vragen. De Raad is van oordeel dat het college zich echter bij de bepaling van de noodzaak van de te vergoeden kosten op het standpunt heeft mogen stellen dat de voedselbank in Roermond de goedkoopste en meest adequate voorziening voor appellante was. Uit hetgeen appellante heeft aangevoerd blijkt niet dat het voor haar objectief gezien onmogelijk was om gebruik te maken van de voedselbank in Roermond.

4.6.

Uit hetgeen onder 4.4 en 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2013.

(getekend) A.B.J. van der Ham

(getekend) V.C. Hartkamp

HD