Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2034

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
15-10-2013
Datum publicatie
16-10-2013
Zaaknummer
12-4430 WWB
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:3180, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college niet in gebreke is geweest een beslissing te nemen op het bezwaarschrift van appellant (...), nu het college dat bezwaarschrift ter behandeling als beroepschrift heeft doorgezonden aan de rechtbank. (...) De stelling van appellant dat het college niet bevoegd was het bezwaarschrift door te zenden aan de rechtbank, wordt verworpen. Ingevolge het overgangsrecht van artikel III, tweede lid, van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen is de mogelijkheid tot het maken van bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op een aanvraag na 1 oktober 2009 immers niet meer aanwezig. Geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn.

Wetsverwijzingen
Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/364
JWWB 2013/177
ABkort 2013/386

Uitspraak

12/4430 WWB

Datum uitspraak: 15 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 juni 2012, 11/40 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant], verblijvende te [verblijfplaats](appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Capelle aan den IJssel (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 september 2013. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. van Boxel.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 22 januari 2010 een bezwaarschrift bij het college ingediend. Het bezwaar is gericht tegen het uitblijven van een besluit op de aanvraag van appellant van

28 januari 2009, inhoudende “met spoed zorg te dragen voor een passende vervangende woonruimte met subsidiëring van de kosten ten aanzien van woninginrichting, bewoning en medische kosten zoals bepaald in artikel 16, eerste lid, van de Wet werk en bijstand”.

1.2.

Bij brief van 4 februari 2010 heeft het college, gelet op het bepaalde in artikel 7:1, eerste lid, aanhef en onder e, van de Algemene wet bestuursrecht (Abw), zoals dit artikel ten tijde in geding luidde, en met toepassing van artikel 6:15, eerste lid van de Awb, het bezwaar van appellant doorgezonden aan de rechtbank met het verzoek dit als beroep te behandelen. Het beroep is bij de rechtbank geregistreerd onder procedurenummer 10/449.

1.3.

Bij besluit van 4 februari 2010 heeft het college alsnog afwijzend beslist op het verzoek van appellant van 28 januari 2009. De rechtbank heeft het beroep tegen het uitblijven van een besluit op de in 1.1 vermelde aanvraag mede gericht geacht tegen het besluit van 4 februari 2010. Bij uitspraak van 3 juni 2010 heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het verschuldigde griffierecht niet tijdig is voldaan en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest. De rechtbank heeft het verzet tegen de uitspraak van 3 juni 2010 bij uitspraak van 23 december 2010 ongegrond verklaard.

1.4.

Op 29 oktober 2010 heeft appellant beroep ingesteld tegen het uitblijven van een besluit op zijn bezwaarschrift van 22 januari 2010.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het op 29 oktober 2010 ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het college het bezwaar van appellant van 22 januari 2010 heeft doorgezonden naar de rechtbank om dit als beroep te behandelen en het college daarom niet in gebreke is geweest tijdig een besluit te nemen op dit bezwaar.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant heeft daarbij de Raad allereerst verzocht het hoger beroepschrift door te zenden aan de rechtbank Rotterdam als ‘verzoekschrift buitenwettelijk middel ambtshalve vervallenverklaring van de aangevallen uitspraak’. Voorts heeft appellant, samengevat, aangevoerd dat het college het bezwaarschrift van 22 januari 2010 ten onrechte heeft doorgezonden aan de rechtbank. Het college dient alsnog een positieve beslissing te nemen op dit bezwaarschrift. Appellant stelt tot slot aanspraak te maken op vergoeding van schade als gevolg van overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Uit de gedingstukken blijkt dat appellant zich op 8 augustus 2012 rechtstreeks tot de rechtbank heeft gewend met het verzoek om toepassing van het buitenwettelijk rechtsmiddel ambtshalve vervallenverklaring van de aangevallen uitspraak. Reeds hierom ziet de Raad geen aanleiding het beroepschrift van appellant, zoals door hem verzocht, door te zenden aan de rechtbank.

4.2.

Ingevolge artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Beroepswet in samenhang met bijlage C onder 25 van de Beroepswet is de Raad de bevoegde rechter om uitspraak te doen op het hoger beroep van appellant. Gelet hierop zal de Raad op basis van de door appellant aangevoerde gronden een oordeel geven over de aangevallen uitspraak.

4.3.

De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college niet in gebreke is geweest een beslissing te nemen op het bezwaarschrift van appellant van 22 januari 2010, nu het college dat bezwaarschrift ter behandeling als beroepschrift heeft doorgezonden aan de rechtbank. De rechtbank heeft op dat beroepschrift beslist bij de in 1.3 vermelde uitspraak van 3 juni 2010 in procedure 10/449. De stelling van appellant dat het college niet bevoegd was het bezwaarschrift door te zenden aan de rechtbank, wordt verworpen. Ingevolge het overgangsrecht van artikel III, tweede lid, van de Wet dwangsom en beroep bij niet tijdig beslissen is de mogelijkheid tot het maken van bezwaar tegen het uitblijven van een besluit op een aanvraag na 1 oktober 2009 immers niet meer aanwezig. Gelet hierop komt de Raad niet toe aan bespreking van de beroepsgrond dat het college alsnog een positieve beslissing dient te nemen op het bezwaarschrift van 22 januari 2010.

4.4.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn nu - vanaf de datum van indiening van het verzoek van 28 januari 2009 - meer dan vier jaren zijn verstreken. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 10 juni 2009,

LJN BI8287) vangt de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM aan op het moment dat er - op zijn minst - een standpunt van het bestuursorgaan ligt, waarvan duidelijk is dat de betrokkene dit wil aanvechten. Doorgaans zal dit zijn op het moment waarop een bezwaarschrift wordt ingediend tegen het primaire besluit of tegen het uitblijven daarvan. Er bestaat geen aanleiding om in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken, zoals appellant heeft bepleit. De redelijke termijn is dan ook gaan lopen op het moment waarop appellant bezwaar heeft gemaakt tegen het uitblijven van een beslissing op zijn aanvraag van 28 januari 2009, dus op 22 januari 2010. Uitgaande van deze datum is er geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn, zodat er geen aanleiding bestaat tot vergoeding van schade.

4.5.

Gelet op het voorgaande slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking. Dit brengt mee dat ook het verzoek om veroordeling tot vergoeding van andere dan de onder 4.4 besproken schade dient te worden afgewezen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.F. Claessens en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2013.

(getekend) C. van Viegen

(getekend) P.J.M. Crombach

HD