Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2028

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
12-1811 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing verzoek om herziening van de besluit met betrekking tot herziening WAO-uitkering. Geen nieuwe feiten en omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1811 WAO

Datum uitspraak: 27 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van
16 februari 2012, 11/2363 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.G.W. van Wees, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2013. Namens appellant is verschenen mr. Van Wees. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Reith.

OVERWEGINGEN

1.

Bij besluit van 7 juni 2007 heeft het Uwv de uitkering van appellant op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar de klasse 45 tot 55%, met ingang van 8 augustus 2007 ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid op deze datum minder dan 15% was.

2.1.

Appellant heeft op 23 maart 2010 gemeld dat zijn gezondheid is verslechterd.

2.2.

Bij besluit van 9 november 2010 heeft het Uwv het verzoek om herziening van de
WAO-uitkering afgewezen, omdat de arbeidsongeschiktheid van appellant sinds 2007 niet is toegenomen en hij onverminderd geschikt is voor de maatgevende functie.

2.3.

Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt en hiertoe aangevoerd dat er nieuwe feiten en omstandigheden zijn die voor het Uwv aanleiding zouden moeten zijn om terug te komen op het besluit van 7 juni 2007.

2.4.

Bij besluit van 13 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Het Uwv heeft in de gestelde nieuwe feiten en omstandigheden geen aanleiding gezien om het besluit van 7 juni 2007 te herzien.

3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank allereerst vastgesteld dat in beroep alleen de weigering om terug te komen op het besluit van
7 juni 2007 voorligt. Vervolgens heeft de rechtbank overwogen dat uit hetgeen appellant heeft gesteld en onderbouwd, niet kan worden afgeleid dat bij de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling in 2007 meer beperkingen hadden moeten worden vastgesteld dan destijds door het Uwv zijn aangenomen. De brieven van cardioloog Derksen van 9 juni 2010 en 27 april 2011, die in de bezwaarprocedure zijn betrokken, leiden niet tot de conclusie dat er objectief medisch gezien een nieuwe verklaring is voor de (mate van) klachten van appellant, zodat geen sprake is van een nieuw feit als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

4.

In hoger beroep heeft appellant zijn gronden in beroep herhaald. Bij appellant is gebleken dat hij, veel meer dan de norm, last heeft gehad van het medicijn Metoprolol. Dit heeft bij appellant gezorgd voor ruim tien jaar lang ernstige hartkloppingen die leidden tot ernstige vermoeidheidsklachten. Nadat hij was gestopt met het gebruik van Metoprolol zijn de klachten verdwenen. Het besluit van 7 juni 2007 moet worden herzien, omdat appellant vanwege vermoeidheid, ontstaan door een hevige reactie op medicijnen, niet in staat was om te werken.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat het besluit van 7 juni 2007 in rechte vaststaat.

5.2.

Aan de orde is de toepassing van artikel 4:6 van de Awb. In het eerste lid van dit artikel is bepaald dat, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden is nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden. Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan, wanneer geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden worden vermeld, de aanvraag afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit.

5.3.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd een verzoek van de belanghebbende om van een eerder ambtshalve genomen besluit terug te komen, inhoudelijk te behandelen en daarbij de oorspronkelijke beslissing - al dan niet in volle omvang - te heroverwegen. Bewoordingen en strekking van artikel 4:6 van de Awb staan daaraan niet in de weg. Indien het bestuursorgaan met gebruikmaking van deze bevoegdheid een eerdere beslissing handhaaft, kan dit echter niet de weg openen naar een toetsing als betrof het een oorspronkelijk besluit. Een dergelijke wijze van toetsing zou zich niet verdragen met de dwingendrechtelijk voorgeschreven termijnen voor het instellen van rechtsmiddelen in het bestuursrecht. De bestuursrechter dient dan ook het oorspronkelijke besluit tot uitgangspunt te nemen en zich in beginsel te beperken tot de vraag of sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en, zo ja, of het bestuursorgaan daarin aanleiding had moeten vinden om het oorspronkelijke besluit te herzien.

5.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. De Raad verwijst in dit verband naar de overwegingen in de aangevallen uitspraak, maakt deze tot de zijne en voegt hieraan nog het volgende toe.

5.5.

Uit de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 4:6 van de Awb volgt dat nieuwe argumenten op zichzelf onvoldoende zijn om als nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangemerkt te worden. Op zichzelf, daar uit deze totstandkomingsgeschiedenis ook volgt dat daarmee niet is gezegd dat nieuwe argumenten niet kunnen steunen op nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden. Ter onderbouwing van zijn standpunt, dat zijn (ernstige) vermoeidheidsklachten op datum in geding (8 augustus 2007) werden veroorzaakt door het gebruik van het medicijn Metoprolol, heeft appellant verwezen naar brieven van cardioloog Derksen van 9 juni 2010 en
27 april 2011. Deze brieven, en ook de hierin gegeven bevindingen van de cardioloog, dateren echter van ruim na de datum in geding. Uit de brieven blijkt ook dat deze cardioloog appellant niet heeft gezien in de periode van 2005 tot 2010. Bovendien volgt uit de brief van

27 april 2011 dat de cardioloog is afgegaan op het verhaal van appellant en, zoals de gemachtigde van appellant ter zitting heeft bevestigd, niet heeft onderzocht of er daadwerkelijk een oorzakelijk verband bestond tussen de vermoeidheidsklachten van appellant en het gebruik van het medicijn Metoprolol. Tegen deze achtergrond kan niet worden gesproken van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en heeft appellant niet voldaan aan de in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb gestelde eis deze te vermelden. Het Uwv was bevoegd het verzoek af te wijzen onder verwijzing naar het besluit van 7 juni 2007.

5.6.

Uit hetgeen onder 5.4 en 5.5 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.C.W. Lange, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2013.

(getekend) C.C.W. Lange

(getekend) M.P. Ketting

IvR