Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2025

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
12-6561 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

WGA-loonaanvullingsuitkering. Geen sprake van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid omdat verbetering van de functionele mogelijkheden van appellant te verwachten is. Bij de oordeelsvorming ten aanzien van appellant zijn de verschillende stappen van het verzekeringsgeneeskundige beoordelingskader gevolgd. Aan de beschouwingen en conclusies van revalidatiearts valt alleszins voldoende steun te ontlenen voor het standpunt van het Uwv dat op de in geding (nog) gesproken kan worden van een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid van appellant. Appellant is ook in hoger beroep niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat de prognose van de bezwaarverzekeringsarts niet deugdelijk was. Dat aan appellant een IVA-uitkering is toegekend, doet er niet aan af. Geen aanwijzingen voor het oordeel dat die situatie zich ook reeds voordeed op datum in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/6561 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

22 november 2012, 12/2286 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 11 oktober 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.C. de Jonge, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend. Als bijlage daarbij was gevoegd een afschrift van een besluit van 18 maart 2013.

Desgevraagd heeft het Uwv ontbrekende stukken ingezonden.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 30 augustus 2013, waar partijen met voorafgaand bericht niet zijn verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 14 juli 2010 heeft het Uwv de loongerelateerde WGA-uitkering van appellant op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) met ingang van 18 december 2010 voortgezet als loonaanvullingsuitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid van appellant is vastgesteld op 80 tot 100%.

1.2. Bij besluit van 2 mei 2012 heeft het Uwv het door appellant tegen het besluit van 14 juli 2010 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daarbij is overwogen dat, omdat verbetering van de functionele mogelijkheden van appellant te verwachten is, geen sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, in verband waarmee terecht is besloten dat appellant vanaf 18 december 2010 geen recht heeft op een uitkering op grond van de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA), maar op een WGA-loonaanvullingsuitkering.

2.1. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het door appellant tegen het besluit van

2 mei 2012 (bestreden besluit) ingestelde beroep ongegrond verklaard.

2.2. De rechtbank heeft hiertoe in de eerste plaats vastgesteld dat het bestreden besluit mede is gebaseerd op de expertise die op 13 november 2011 (lees: 13 juli 2011) was verricht door revalidatiearts prof. dr. H.J. Stam. Deze expertise was uitgevoerd op verzoek van het Uwv, ter voorbereiding van een ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 11 november 2010, AWB 10/1948 WIA, te nemen besluit. Bij die uitspraak had de rechtbank een besluit van het Uwv, waarbij de aan appellant met ingang van 3 november 2007 toegekende

IVA-uitkering met ingang van 18 december 2009 was beëindigd en voortgezet als een loongerelateerde WGA-uitkering, wegens onvoldoende zorgvuldige voorbereiding en ondeugdelijke motivering vernietigd. Mede op grond van de conclusies van revalidatiearts Stam in zijn rapport van 13 september 2011, heeft het Uwv bij uitvoeringsbesluit van

3 oktober 2011 zijn beslissing tot beëindiging van de IVA-uitkering met ingang van

18 december 2009 en voortzetting daarvan als loongerelateerde WGA-uitkering, gehandhaafd. Tegen dat uitvoeringsbesluit zijn door appellant geen rechtsmiddelen aangewend.

2.3. De rechtbank heeft, onder verwijzing naar vaste rechtspraak van de Raad, overwogen dat indien een verzekerde in beroep komt tegen een besluit waarbij op basis van een rapport van de bezwaarverzekeringsarts is vastgesteld dat geen sprake is van duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid, het aan de verzekerde is om zijn standpunt dat de prognose van de bezwaarverzekeringsarts niet deugdelijk was, voldoende te onderbouwen. Hij zal zich daartoe doorgaans bedienen van medische informatie die hij niet in bezwaar heeft kunnen inbrengen en die een nieuw licht werpt op zijn gezondheidstoestand. De bestuursrechter zal deze informatie bij zijn beoordeling van de juistheid van het genomen besluit betrekken, voor zover deze informatie betrekking heeft op de datum die in geding is, in dit geval 18 december 2010. Ter beantwoording ligt dan voor de vraag of met de gegevens die bekend zijn geworden over de gezondheidstoestand van de verzekerde op de datum in geding, het oordeel over de duurzaamheid in stand kan blijven.

2.4. Appellant heeft zijn standpunt onderbouwd met een brief van revalidatiearts S.M. Angulo van 9 mei 2012. Met die brief acht de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de verwachting van de bezwaarverzekeringsarts dat er ten aanzien van appellant op de datum in geding behandelmogelijkheden waren, niet juist zou zijn. Immers Stam heeft, aldus de rechtbank, in zijn expertiserapport vermeld dat er geen enkele zuivere medische of anatomische reden is waarom appellant zijn rechterarm en -hand niet nagenoeg normaal zou kunnen inschakelen, zeker niet na behandeling van zijn schouderproblematiek en een geleidelijke opbouw van kracht en intensiteit van het gebruik van arm en hand. In deze expertise is daarom naar het oordeel van de rechtbank voldoende steun te vinden voor het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts dat er op 18 december 2010 gesproken kan worden van een meer dan geringe kans op verbetering van de belastbaarheid van appellant. Door de bezwaarverzekeringsarts is beredeneerd vermeld dat een behandeloptie aanwezig is in de vorm van een multidisciplinaire aanpak met aandacht voor operante conditionering.

2.5. De rechtbank heeft verder overwogen dat uit de brief van Angulo blijkt dat de spieren in de rechterarm van appellant niet getraind zijn om actief te zijn, maar dat het in principe mogelijk is de kracht van de rechterarm weer op te bouwen. Stress en angst voor een nieuwe spierscheuring zijn echter in de loop der jaren het herstel gaan belemmeren, reden waarom Angulo aangeeft geen behandeling meer te starten.

2.6. Mogelijk kan appellant zich, aldus de rechtbank, opnieuw tot het Uwv wenden met het verzoek om te beoordelen of de brief van Angulo per datum 9 mei 2012 eventueel aanknopingspunten kan geven om de arbeidsongeschiktheid per die datum als duurzaam aan te merken.

3.

Appellant heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar de brief van revalidatiearts Angulo, zijn opvatting staande gehouden dat er op de datum in geding geen reële behandelopties voor hem waren. Revalidatiearts Stam heeft in zijn expertiserapport geen feitelijke behandelmogelijkheden vermeld en aan appellant is gebleken dat ook de behandelende sector geen behandelopties heeft die uitzicht bieden op duurzame verbetering van zijn belastbaarheid. Appellant stelt verder dat niet is gebleken dat door de rechtbank is getoetst of het Uwv bij zijn oordeelsvorming of sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid, het daartoe dienende beoordelingskader - het zogeheten

stappenplan - heeft gevolgd. Al met al houdt appellant staande dat door het Uwv niet is aangetoond dat op de datum in geding een redelijk tot goed uitzicht bestond op verbetering van zijn belastbaarheid.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gegrond, zijn juist. Dat oordeel en die overwegingen worden door de Raad tot de zijne gemaakt. Naar aanleiding van wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, voegt de Raad daaraan nog het volgende toe.

4.3.

Bezwaarverzekeringsarts M. Kleinjan heeft in het rapport van 19 april 2012 onder meer uiteengezet dat bij de oordeelsvorming ten aanzien van appellant de verschillende stappen van het verzekeringsgeneeskundige beoordelingskader zijn gevolgd. De Raad heeft, gelet op de verschillende zich onder de gedingstukken bevindende verzekeringsgeneeskundige rapporten, geen aanleiding om die uiteenzetting voor onjuist te houden. Reeds om die reden faalt het betoog van appellant dat niet is kunnen blijken dat aan het zogeheten stappenplan is getoetst.

4.4.

In zijn rapport van 13 september 2011 heeft revalidatiearts Stam onder meer te kennen gegeven dat er op lichamelijk gebied geen objectief-medische aanknopingspunten zijn om ervan uit te gaan dat de functionaliteit van rechterarm en -hand van appellant niet zou kunnen verbeteren. Er is bij appellant echter sprake van het fenomeen “learned disuse” of “learned non-use”, in verband waarmee een multidisciplinaire aanpak met aandacht voor operante

conditionering aangewezen zou zijn. Appellant zou, aldus Stam, reële informatie moeten ontvangen over de toestand van zijn schouder en arm en met een tijdcontingente benadering en een “graded activity-aanpak” de functionaliteit van zijn rechterarm moeten kunnen verbeteren. Hulp van een ter zake kundige psycholoog en behandeling in een ervaren team van multidisciplinaire revalidatiedeskundigen zou dan zijn aangewezen.

4.5.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat aan deze beschouwingen en conclusies van Stam alleszins voldoende steun valt te ontlenen voor het standpunt van het Uwv dat op de in geding zijnde datum 18 december 2010 (nog) gesproken kan worden van een meer dan

geringe kans op verbetering van de belastbaarheid van appellant. Appellant is ook in hoger beroep niet erin geslaagd aannemelijk te maken dat de prognose van de bezwaarverzekeringsarts met betrekking tot de in geding zijnde datum 18 december 2010 niet deugdelijk was.

4.6.

Appellant heeft, zoals vermeld onder overweging 3, ter onderbouwing van zijn andersluidende opvatting in hoger beroep met name weer gewezen op de brief van revalidatiearts Angulo van 9 mei 2012. Gebleken is dat het Uwv inmiddels bij besluit van

18 maart 2013 appellant alsnog met ingang van 19 februari 2013 in aanmerking heeft gebracht voor een IVA-uitkering. Uit de daaraan ten grondslag liggende rapporten komt naar voren dat daarbij in aanmerking is genomen dat, gelet op de duur van de klachten van appellant, zoals Angulo deze beschrijft in zijn brief van 9 mei 2012, inmiddels ervan moet worden uitgegaan dat verbetering niet of nauwelijks meer mag worden verwacht. De Raad heeft noch in de brief van Angulo, noch overigens in de beschikbare medische gegevens, aanwijzingen aangetroffen voor het oordeel dat die situatie zich ook reeds voordeed op

18 december 2010.

4.7.

Uit overwegingen 4.2 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de

aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek tot schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en R.E. Bakker en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) S. Aaliouli

JvC