Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2024

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
11-10-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
12-2405 AKW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Weigering kinderbijslag. Niet aangetoond dat aan de onderhoudseis is voldaan. Een daling van inkomsten ten gevolge van arbeidsongeschiktheid kan niet worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die ertoe moet leiden dat van het gevoerde beleid moet worden afgeweken.

Wetsverwijzingen
Algemene Kinderbijslagwet
Algemene Kinderbijslagwet 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/351
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2405 AKW

Datum uitspraak: 11 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van

22 maart 2012, 10/735 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (appellant)

J.[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. R.A.A. Maat, adovcaat, een verweerschrift ingediend. Daarbij zijn tevens (nadere) stukken ingediend.

Het geding is aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 30 augustus 2013. Namens appellant is verschenen mr. A. Marijnisssen. Betrokkene is niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene, die is geboren [in]1965 en de Portugese nationaliteit heeft, heeft in augustus 2009 kinderbijslag aangevraagd ten behoeve van drie kinderen van zijn partner, die, met de kinderen, in Portugal woont. Betrokkene heeft daarbij te kennen gegeven dat hijzelf vanaf 7 augustus 2008 in Nederland woont.

1.2. Bij besluit van 15 maart 2010 is aan betrokkene meegedeeld dat hij geen recht heeft op kinderbijslag over het tweede tot en met het vierde kwartaal van 2009. Aan deze afwijzing ligt ten gronde dat betrokkene niet heeft aangetoond in deze kwartalen aan de onderhoudseis te hebben voldaan.

1.3. Bij besluit van 11 mei 2010 heeft appellant aan betrokkene laten weten dat hij over het vierde kwartaal van 2008, het eerste kwartaal van 2009 en vanaf het eerste kwartaal van 2010 geen recht heeft op kinderbijslag. Ook aan dit besluit is ten gronde gelegd dat betrokkene in genoemde kwartalen niet aan de onderhoudseis heeft voldaan.

2.

Op het bezwaar van betrokkene is bij besluit van 2 augustus 2010 beslist dat betrokkene recht heeft op kinderbijslag over het vierde kwartaal van 2008, alsmede het eerste en tweede kwartaal van 2009. Bij een tweede besluit van die datum (bestreden besluit) is beslist dat met ingang van het derde kwartaal van 2009 betrokkene geen recht (meer) heeft op kinderbijslag. Deze afwijzing steunt op de grond dat vanaf het derde kwartaal van 2009 niet is voldaan aan de onderhoudseis.

3.1.

In beroep is namens betrokkene naar voren gebracht dat hij appellant steeds heeft voorzien van alle benodigde bewijsmiddelen. Over het derde kwartaal van 2009 heeft betrokkene betalingen aangetoond tot een totaalbedrag van € 1.390,-, derhalve aanzienlijk meer dan de € 1.224,- die als minimumeis geldt voor het recht op kinderbijslag voor drie kinderen. In verweer heeft appellant naar voren gebracht dat de aangetoonde onderhoudsbijdrage van betrokkene € 1.005,40 bedraagt, zodat betrokkene niet voldoende heeft bijgedragen aan het onderhoud van de kinderen om in aanmerking te komen voor kinderbijslag.

3.2.

Ter zitting van de rechtbank is namens betrokkene verklaard dat uit de bewijsmiddelen volgt dat € 1.192,50 aan onderhoudsbijdrage is betaald. Het is dan redelijk dat voor twee kinderen kinderbijslag wordt toegekend. Betrokkene heeft een ongeval gehad, waardoor hij arbeidsongeschikt is geraakt. Hij kon dus niet meer betalen. Namens appellant is aangegeven dat het beleid duidelijk is. Er is voor drie kinderen aanspraak gemaakt op kinderbijslag. Dan moet ook voor drie kinderen onderhoudsbijdrage zijn betaald.

3.3.

De rechtbank heeft vastgesteld dat het geschil is beperkt tot het derde kwartaal van 2009. De rechtbank heeft betrokkene gevolgd in die zin dat zij is uitgegaan van een in aanmerking te nemen onderhoudsbijdrage van € 1.192,50. Dat brengt mee dat over het derde kwartaal van 2009 € 31,50 te weinig aan onderhoudsbijdrage is betaald. Nu de regelgeving ten aanzien van het bedrag van de onderhoudsbijdrage geen beleidsvrijheid kent, betekent dit dat appellant terecht heeft geweigerd kinderbijslag toe te kennen voor drie uitwonende kinderen. Vervolgens is de rechtbank ingegaan op de stelling van betrokkene dat hij in aanmerking dient te komen voor kinderbijslag voor twee kinderen. Volgens de rechtbank laat de rechtspraak van de Raad op dit punt ruimte voor het in aanmerking nemen van bijzondere omstandigheden. In dit geval is daarvan sprake gezien de aanmerkelijke daling van het inkomen van betrokkene tengevolge van zijn arbeidsongeschiktheid. Dit brengt mee dat de in het derde kwartaal van 2009 betaalde onderhoudsbijdrage wordt toegerekend aan twee kinderen, zodat aan betrokkene kinderbijslag voor twee kinderen moet worden toegekend. De rechtbank heeft zelf in de zaak voorzien en aan betrokkene over het derde kwartaal van 2009 kinderbijslag toegekend voor twee kinderen.

4.

De Raad overweegt het volgende.

4.1.

Door appellant is in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte in de persoonlijke omstandigheden van betrokkene aanleiding heeft gezien om af te wijken van het beleid en de door betrokkene betaalde onderhoudsbijdrage toe te rekenen aan twee van de drie kinderen. Volgens appellant is niet gebleken van specifieke omstandigheden die grond kunnen vormen voor een toerekening van de onderhoudsbijdrage aan slechts twee kinderen. Het vanwege arbeidsongeschiktheid lagere inkomen van betrokkene vormt in ieder geval niet zo’n omstandigheid.

4.2.

Tussen partijen is in geschil of de rechtbank met recht heeft bepaald dat betrokkene over het derde kwartaal van 2009 recht heeft kinderbijslag ten behoeve van twee kinderen.

4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de over het derde kwartaal van 2009 betaalde onderhoudsbijdrage lager is dan de wettelijk voorgeschreven onderhoudsbijdrage voor drie kinderen van € 1.224,-. Het beleid van appellant, dat mede is gebaseerd op de vaste rechtspraak van de Raad, houdt in dat onderhoudsbijdragen geacht worden gelijkmatig te zijn besteed voor de in het betreffende huishouden verblijvende kinderen waarvoor aanspraak op kinderbijslag kan bestaan. Met appellant is de Raad van oordeel dat een daling van inkomsten ten gevolge van arbeidsongeschiktheid niet kan worden aangemerkt als een bijzondere omstandigheid die ertoe moet leiden dat van vorenvermeld beleid had moeten worden afgeweken.

4.4.

Het vorenstaande brengt mee dat het hoger beroep slaagt. De uitspraak van de rechtbank komt voor vernietiging in aanmerking. Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

4.5.

Er is geen grond om één van de partijen te veroordelen in de proceskosten als voorzien in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 2 augustus 2010 ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en M.M. van der Kade en

H.J. Simon als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2013.

(getekend) T.L. de Vries

` (getekend) D.E.P.M. Bary

JvC