Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2012

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
11-6833 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. De rechtbank heeft terecht het college niet veroordeeld in de kosten van rechtsbijstand in bezwaar. Gezamenlijke huishouding met broer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6833 WWB

Datum uitspraak: 8 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

29 september 2011, 11/3620 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Op 13 augustus 2013 heeft mr. R. van Asperen zich als gemachtigde gesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Asperen. Het college heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Op 16 maart 2011 heeft appellant zich gemeld om op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) bijstand aan te vragen. Bij die gelegenheid heeft appellant verklaard dat hij alleenstaand is en dat hij samen met zijn broer in een huurhuis woont.

1.2.

Naar aanleiding van deze aanvraag hebben twee handhavingspecialisten van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam op 4 april 2011 een huisbezoek afgelegd in de woning van appellant. Op 5 april 2011 heeft appellant een verklaring afgelegd over de woonsituatie. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 7 april 2011.

1.3.

Op basis van de onderzoeksbevindingen heeft het college bij besluit van 11 april 2011 afwijzend beslist op de aanvraag van appellant. Bij besluit van 15 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 11 april 2011 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat appellant een gezamenlijke huishouding voert met zijn broer. Het college stelt zich op het standpunt dat appellant, nu hij bij de aanvraag geen melding heeft gemaakt van het feit dat hij een gezamenlijke huishouding voert, de inlichtingenverplichting heeft geschonden en dat als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of appellant verkeert in bijstandsbehoevende omstandigheden.

2.

In beroep heeft het college het standpunt dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden niet gehandhaafd. Gelet hierop heeft de rechtbank bij de aangevallen uitspraak het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Omdat het college op basis van de verklaring van appellant van 5 april 2011 tot de conclusie kon komen dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met zijn broer, heeft de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten.

3.

Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte het college niet heeft veroordeeld in de kosten van rechtsbijstand in bezwaar.

4.1.1.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

4.1.2

Naar vaste rechtspraak van de Raad, CRvB 23 augustus 2006, LJN AY8044, is van “herroepen” in de zin van artikel 7:15 van de Awb slechts sprake indien het primaire besluit wordt gewijzigd wat betreft het beoogde of geweigerde rechtsgevolg. In het onderhavige geval heeft het college bij het primaire besluit geweigerd het door appellant gewenste rechtsgevolg, toekenning van bijstand, in het leven te roepen. In beroep heeft het college te kennen gegeven dat het college de daarvoor gegeven motivering deels, voor wat betreft de schending van de inlichtingenverplichting, niet langer handhaaft maar onverkort vasthoudt aan het rechtsgevolg van het primaire besluit, te weten weigering van de gevraagde bijstand. De rechtbank heeft vervolgens het bestreden besluit vernietigd maar de rechtsgevolgen van dat vernietigde besluit in stand gelaten. Daarom kan niet worden gesproken van een herroepen in de zin van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb.

4.1.3.

Uit 4.1.1 en 4.1.2 volgt dat de beroepsgrond van appellant met betrekking tot de vergoeding van kosten in bezwaar niet kan slagen.

4.1.4.

Zoals vermeld onder 4.1.2 heeft de rechtbank aanleiding gezien de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. De rechtbank is van oordeel dat het college zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met zijn broer. De rechtbank heeft zich bij haar in de rechtsoverwegingen 6.2 tot en met 6.5 weergegeven oordeel niet gebaseerd op het huisbezoek. De beroepsgrond van appellant dat het huisbezoek onrechtmatig is, behoeft dan ook geen bespreking.

4.1.5.

Ook de stelling van appellant dat de bewijslast op het college rust treft geen doel nu, als gevolg van de gewijzigde motivering, aan appellant schending van de inlichtingenverplichting niet meer worden tegengeworpen.

4.2.

Appellant heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Hij heeft daartoe aangevoerd dat zijn verklaring niet toereikend is om te concluderen dat er sprake is van wederzijdse zorg en dat de financiële verwevenheid te ‘dun’ is om wederzijdse zorg aan te nemen. Ter zitting heeft appellant gesteld dat de weergave van zijn verklaring van 5 april 2011 niet overeenkomt met hoe hij de (woon)situatie destijds heeft beschreven.

4.2.1.

Ingevolge artikel 3, derde lid van de WWB, is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria. Daarbij zijn omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang.

4.2.2.

Niet in geschil is dat appellant en zijn broer gedurende de hier te beoordelen periode, die loopt van 16 maart 2011 tot en met 11 april 2011, hun hoofdverblijf hadden in dezelfde woning, zodat aan het eerste criterium van een gezamenlijke huishouding is voldaan.

4.2.3.

Het tweede criterium waaraan moet zijn voldaan, is dat van de wederzijdse zorg. Deze kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkene gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.2.4.

Volgens vaste rechtspraak (CRvB 26 januari 2012, LJN BV2512) mag een betrokkene, ook indien hij later van een afgelegde verklaring terugkomt, in het algemeen aan de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde en vervolgens zonder voorbehoud ondertekende verklaring worden gehouden. Er is geen aanleiding om te oordelen dat in dit geval sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat een uitzondering op het hiervoor weergegeven uitgangspunt dient te worden gemaakt. Appellant heeft op 5 april 2011 verklaard dat zijn broer, die in zijn woning een kamer huurt, een eigen kamer heeft waar hij zijn persoonlijke spullen bewaart. De inrichting van de overige kamers in de woning van appellant is van hen beiden. Appellant en zijn broer doen het huishouden en de boodschappen om en om. Zij hebben geen regeling voor het betalen van de boodschappen, meestal betaalt appellants broer meer omdat hij werkt. De boodschappen zijn voor gezamenlijk gebruik en liggen door elkaar in de koelkast. Als appellant en zijn broer beiden thuis zijn eten zij samen en kijken zij samen televisie. Appellant en zijn broer wassen soms kleding van elkaar en als één van hen ziek is zorgen zij, indien nodig, voor elkaar. Dit is ook wel weleens voorgekomen, zo heeft appellant verklaard. De genoemde feiten en omstandigheden gaan hetgeen gebruikelijk is in een door zakelijke verhoudingen beheerste relatie, in dit geval die van huurder en onderhuurder, te boven en wijzen uit dat appellant en zijn broer ten tijde van belang er blijk van gaven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.3.

Ten slotte heeft appellant ter zitting bij de Raad aangevoerd dat hij de beroepsgrond dat het college de aanvraag mede had moeten beoordelen als een aanvraag om gezinsbijstand, alsnog beoordeeld wil zien. Nu appellant deze stelling in het hoger beroepschrift uitdrukkelijk heeft laten vallen en hij dit verzoek pas op de zitting, waar het college niet was vertegenwoordigd, heeft gedaan, kan deze grond wegens strijd met de goede procesorde niet in de beoordeling worden meegenomen.

4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd en het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade bestaande uit wettelijke rente voor afwijzing in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2013.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) P.J.M. Crombach

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD