Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2011

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
15-10-2013
Zaaknummer
12-4028 NIOAW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Korting op IOAW-uitkering wegens inkomsten. Werkzaamheden als professioneel rechtsbijstandverlener. Op geld waardeerbare arbeid. Geen grond om te oordelen dat de werkwijze van de adviescommissie in strijd is met artikel 7:13 (lid 6) Awb. Door een forfaitair bedrag vast te stellen dat gelijk is aan de hoogte van de proceskostenvergoeding en dat als fictief inkomen in mindering te brengen op de uitkering, is appellant zeker niet tekort gedaan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4028 NIOAW

Datum uitspraak: 8 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 4 juni 2012, 12/347 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

het dagelijks bestuur van de Intergemeentelijke sociale dienst Midden-Langstraat (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2013. Appellant is verschenen. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door E.B. van Schijndel.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt sinds 20 november 2006 een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers (IOAW).

1.2.

Het dagelijks bestuur heeft in de maanden augustus 2011 en oktober 2011 bij het vaststellen van het recht op uitkering rekening gehouden met te korten inkomsten en appellant over die maanden een uitkeringsspecificatie toegezonden.

1.3.

Het tegen die uitkeringsspecificaties gemaakte bezwaar is bij besluit van 9 december 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant werkzaamheden als professioneel rechtsbijstandverlener uitvoert en dat deze werkzaamheden als op geld waardeerbare arbeid worden aangemerkt. Niet duidelijk is wat de feitelijke omvang van de werkzaamheden is geweest en eventuele onkosten zijn niet inzichtelijk gemaakt. Daarom is het redelijk voor de werkzaamheden een fictief inkomen te nemen en dit vast te stellen op de hoogte van de ontvangen proceskostenvergoeding.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellant zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

Adviescommissie

4.1.

Appellant acht de Adviescommissie Bezwaar en Beroep (adviescommissie) niet objectief. Hij heeft aangevoerd dat de secretaris in loondienst is van de Intergemeentelijke sociale dienst Midden-Langstraat en verschillende petten op heeft, omdat zij als secretaris/notuliste optreedt bij de hoorzitting, vervolgens als secretaris optreedt bij de adviescommissie en later namens Sociale Zaken aan het dagelijks bestuur adviseert.

4.2.

Artikel 7:13, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt, voor zover hier van belang, dat indien ten behoeve van de beslissing op het bezwaar een adviescommissie is ingesteld, de voorzitter van de adviescommissie geen deel uitmaakt van en niet werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan. De eis van onafhankelijkheid geldt niet voor de secretaris van de commissie. Zoals de Raad eerder voor het college heeft overwogen (CRvB 26 maart 2013, LJN BZ5700) is het feit dat de secretaris werkzaam is onder verantwoordelijkheid van het dagelijks bestuur daarom niet in strijd met artikel 7:13, eerste lid, van de Awb. De secretaris verricht ondersteunende werkzaamheden voor de adviescommissie, waaronder in dit geval het schrijven van een conceptadvies. Anders dan appellant veronderstelt is het niet de secretaris die het dagelijks bestuur adviseert, maar de adviescommissie als onafhankelijk adviesorgaan brengt het (definitief) advies uit.

4.3.

Appellant heeft verder nog aangevoerd dat hij niet kan controleren op grond van welke stukken de adviescommissie haar advies vaststelt. In dit geval is het horen overeenkomstig artikel 7:13, derde lid, van de Awb opgedragen aan een lid van de adviescommissie. Van de hoorzitting is een verslag gemaakt. Daarna vergadert de voltallige adviescommissie en brengt advies uit aan het dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur heeft ter zitting uiteengezet dat de adviescommissie haar advies vaststelt op grond van de processtukken en dat appellant over dezelfde stukken beschikt of kan beschikken als de adviescommissie. Alleen het

proces-verbaal van de hoorzitting en het conceptadvies worden daaraan nog toegevoegd. Het (definitief) advies van 29 november 2011 is dus uitgebracht op grond van de processtukken, het verslag van de hoorzitting en het conceptadvies van 24 november 2011. In wat appellant heeft aangevoerd is geen grond gelegen om te oordelen dat de werkwijze van de adviescommissie in strijd is met artikel 7:13 van de Awb, in het bijzonder artikel 7:13, zesde lid, van de Awb. Anders dan appellant meent, staat daaraan niet in de weg dat hij voorafgaand aan het uitbrengen van het advies geen invloed heeft op de inhoud van verslag van de hoorzitting en het conceptadvies.

Inkomsten

5.

Het dagelijks bestuur heeft appellant toegestaan om werkzaamheden te verrichten als zelfstandig professioneel rechtsbijstandverlener. Appellant is erop gewezen dat inkomsten uit arbeid volledig zullen worden gekort op zijn uitkering. In geschil is of, en zo ja op welke wijze, met inkomsten rekening kan worden gehouden.

Betaalde werkzaamheden

5.1.1. Het dagelijks bestuur heeft in de maand augustus 2011 een bedrag aan inkomsten van

€ 1.079,23 gekort. Tot deze inkomsten behoort een bedrag van € 205,23, dat appellant heeft ontvangen van een betalende cliënte.

5.1.2. Appellant heeft aangevoerd dat hij bij de hem toegestane werkzaamheden als zelfstandig professioneel rechtsbijstandverlener ook onkosten heeft vanwege de uitoefening van zijn bedrijf en dat de inkomsten op zijn uitkering in mindering moeten worden gebracht na aftrek van de gemaakte onkosten. Appellant heeft echter geen boekhouding overgelegd waaruit blijkt wat zijn kosten en afdrachten zijn geweest en evenmin enig bewijsstuk van de gemaakte kosten. Het college heeft dan ook de inkomsten van de betalende cliënte volledig in mindering kunnen brengen op de uitkering.

5.1.3. De stelling van appellant dat hij in een andere positie wordt gebracht dan andere rechtshulpverleners omdat aan hem andere eisen worden gesteld bij de verantwoording van kosten, zodat sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel of van détournement de pouvoir wordt niet gevolgd, reeds omdat geen sprake is van vergelijkbare gevallen. Appellant ontvangt een uitkering op grond van de IOAW en is daarom niet vergelijkbaar met andere rechtshulpverleners die geen uitkering ontvangen. Dat sprake zou zijn van willekeur omdat het dagelijks bestuur steeds anders omgaat met de inkomsten, heeft appellant niet met concrete gegevens onderbouwd, zodat deze beroepsgrond niet kan slagen.

Fictief inkomen

5.2.1. Het dagelijks bestuur heeft voorts in de maanden augustus 2011 en oktober 2011 per maand een bedrag van € 874,- in mindering gebracht wegens inkomsten ontvangen voor werkzaamheden verricht voor twee niet betalende cliënten.

5.2.2. Appellant heeft niet betwist dat hij optreedt als professioneel rechtshulpverlener. Het gaat hier om in het economisch verkeer op geld waardeerbare arbeid. Bij het verrichten van productieve arbeid is het niet alleen relevant of men inkomsten heeft ontvangen, maar tevens of men werkzaamheden heeft verricht waar normaliter een beloning tegenover staat en die men daar redelijkerwijs ook voor kan bedingen. Dat appellant er zelf voor heeft gekozen de kosten van zijn arbeid niet in rekening te brengen bij degenen die zijn aangewezen op bijstand of die een vergelijkbaar inkomen hebben, is dan ook niet van belang.

5.2.3. In beginsel dient bij de vaststelling van de hoogte van inkomsten uit arbeid te worden uitgegaan van de feitelijk verrichte werkzaamheden en de inkomsten die daaruit worden verworven. Voor het in aanmerking nemen van een fictief inkomen is onder meer ruimte, indien tegenover het verrichten van arbeid geen dan wel zo'n lage beloning staat dat van een reële betaling voor die arbeid geen sprake is. Omdat tegenover de arbeid van appellant geen beloning stond, mocht het dagelijks bestuur uitgaan van een fictief inkomen voor de verrichte werkzaamheden. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat het dagelijks bestuur door een forfaitair bedrag vast te stellen dat gelijk is aan de hoogte van de proceskostenvergoeding en dat als fictief inkomen in mindering te brengen op de uitkering, appellant zeker niet tekort heeft gedaan. Zoals appellant ter zitting ook heeft erkend, heeft hij niet alleen werkzaamheden verricht in de gevallen waarin aan zijn cliënten een proceskostenvergoeding is toegekend maar ook in de gevallen waarin uiteindelijk geen proceskostenvergoeding is toegekend.

6.

Uit 4.1 tot en met 5.2.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

7.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2013.

(getekend) Y.J. Klik

(getekend) P.J.M. Crombach

HD