Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2010

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
10-10-2013
Datum publicatie
10-10-2013
Zaaknummer
12-159 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft betrokkene bij besluit met toepassing van artikel 8:13 van de CAR/UWO met onmiddellijke ingang disciplinair ontslag verleend en de kosten van de niet-functiegebonden bevragingen bij het Kadaster teruggevorderd. De vraag of het college alvorens tot strafontslag over te gaan had moeten (laten) onderzoeken of de gedragingen betrokkene kunnen worden toegerekend beantwoordt de Raad, evenals de rechtbank, ontkennend. Het plichtsverzuim is toerekenbaar. Resteert het subsidiaire standpunt van betrokkene dat, als wordt uitgegaan van toerekenbaar plichtsverzuim, de opgelegde straf buitenproportioneel is in relatie tot de verweten gedragingen. Ook dat standpunt wordt niet gevolgd. In de nadere beslissing op bezwaar heeft het college beslist dat in aanvulling op de beslissing op bezwaar alle opvragingen van GBA-gegevens die staan beschreven in het primaire besluit worden verweten aan betrokkene en als grondslag gelden voor het ontslag. Dit schrijven bevat geen ander rechtsgevolg dan reeds was verbonden aan het bestreden besluit. Er is dus geen sprake van een besluit maar van een aanvulling van de motivering van laatstgenoemd besluit. Er is daarom geen aanleiding de artikelen 6:18 en 6:19 van de Awb toe te passen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/2220
TAR 2014/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/159 AW, 12/304 AW, 12/1328 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van
30 november 2011, 11/5735 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (betrokkene)

het college van burgemeester en wethouders van Rijswijk (college)

PROCESVERLOOP

Namens betrokkene heeft mr. D.A.A.M. Mijland hoger beroep ingesteld.

Namens het college heeft mr. I.M. Speel hoger beroep ingesteld.

Partijen hebben ieder een verweerschrift ingediend.

Het college heeft een nadere beslissing op bezwaar van 31 januari 2012 ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 augustus 2013. Betrokkene is verschenen bijgestaan door mr. Mijland. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Speel, bijgestaan door W. van der Giessen en mr. R. Laghuwitz.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is per 1 januari 2009 aangesteld in vaste dienst bij de gemeente Rijswijk in de functie van Senior juridisch medewerker Belastingen. Daarbij is hem onder meer autorisatie verleend voor raadpleging van de Gemeentelijke Basisadministratie (GBA) en een gebruikersaccount verstrekt voor raadpleging van het Kadaster. Nadat bij onderzoek was gebleken dat buitensporig veel kadastrale en hypothecaire gegevens waren opgevraagd, met name met betrekking tot woningen in Bunschoten, is betrokkene in een gesprek op

21 februari 2011 met die uitkomst geconfronteerd. Betrokkene heeft erkend dat hij weleens kadastrale gegevens van woningen in Bunschoten heeft opgevraagd, omdat hij overweegt daar in de toekomst weer te gaan wonen. Ook heeft hij gezocht op appartementen in Capelle aan den IJssel. Met betrekking tot de raadpleging van het GBA heeft betrokkene in dat gesprek desgevraagd verklaard alleen in het GBA te kijken in het kader van de behandeling van een bezwaarschrift en dat dit sporadisch voorkomt. Betrokkene is vervolgens geschorst en hem is de toegang tot de gebouwen ontzegd.

1.2. Bij verder onderzoek naar de bevragingen van het Kadaster over de periode vanaf augustus 2010 - over daarvoor gelegen periode waren geen gegevens meer beschikbaar - zijn de exacte aantallen niet functie-gebonden bevragingen in kaart gebracht. Daarbij kwam tevens naar voren dat betrokkene in het Kadaster eigendoms- en hypotheekgegevens had opgezocht van minstens zes collega’s en van enkele bekende Nederlanders. Ten aanzien van het gebruik van het GBA kwam naar voren dat hij bevragingen had gedaan ten aanzien van de burgemeester, de gemeentesecretaris, diens echtgenote en zoon, van een VNG-medewerker alsmede van enkele collega’s. Een en ander is door het college aangemerkt als ernstig plichtsverzuim.

1.3. Nadat betrokkene zich ter zake had verantwoord, heeft het college hem bij besluit van

29 maart 2011 met toepassing van artikel 8:13 van de CAR/UWO met onmiddellijke ingang disciplinair ontslag verleend en de kosten van de niet-functiegebonden bevragingen bij het Kadaster ten bedrage van € 3.731,71 van betrokkene teruggevorderd.

1.4. Na bezwaar heeft het college dit besluit bij besluit van 21 juni 2011 (bestreden besluit), in overeenstemming met het advies van de Bezwarencommissie Personele Aangelegenheden, gehandhaafd. Daarbij heeft het college ter aanvulling van de motivering nog verwezen naar de overwegingen in het primaire besluit en het verweer in bezwaar.

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van betrokkene ongegrond verklaard. Daartoe is onder meer overwogen dat het college, door overneming van het advies van de bezwarencommissie, aan betrokkene het voordeel van de twijfel heeft gegund wat betreft het karakter van de raadplegingen van de GBA ten aanzien van de burgemeester, de gemeentesecretaris en een tweetal collega’s. De overige bevragingen van het GBA en de bevragingen van het Kadaster zijn wel terecht als plichtsverzuim aangemerkt. Het plichtsverzuim is toerekenbaar en aard, duur en ernst van de gedragingen rechtvaardigen de straf van onvoorwaardelijk ontslag, aldus de rechtbank.

3.

Het hoger beroep van betrokkene strekt er - kort samengevat - toe dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit worden vernietigd. Het hoger beroep van het college is gericht tegen de overweging van de rechtbank over de omvang van het verweten plichtsverzuim.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het hoger beroep van betrokkene

4.1.1.

Betrokkene wijst er terecht op dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak onder 1.2 van de overwegingen ten onrechte heeft vermeld dat betrokkene gegevens uit de GBA heeft opgevraagd ten aanzien van collega’s, politici en politieke ambtsdragers. Dit is een verschrijving. Uit overweging 5.1.2 blijkt dat ten aanzien van de GBA-bevragingen alleen de bevragingen over collega J (en diens dochter) en collega Z (en diens voormalige partner) door de rechtbank als plichtsverzuim in aanmerking zijn genomen. Voor het overige betwist betrokkene niet dat hij de verweten gedragingen heeft gepleegd en dat deze zijn aan te merken als plichtsverzuim.

4.1.2.

De vraag of het college alvorens tot strafontslag over te gaan had moeten (laten) onderzoeken of de gedragingen betrokkene kunnen worden toegerekend, beantwoordt de Raad evenals de rechtbank ontkennend. De verweten gedragingen hebben zich uitgestrekt over een lange periode, vrijwel gedurende het hele dienstverband. Niet betwist is dat betrokkene zijn taken - onder meer adviseren op het terrein van alle gemeentelijke belastingen en behandelen van complexe bezwaar- en beroepschriften inzake gemeentelijke belastingen en heffingen en inzake de Wet Onroerende Zaken - juridisch inhoudelijk altijd naar behoren heeft uitgevoerd. Deze constatering valt slecht te rijmen met een standpunt dat betrokkene ten aanzien van de verweten gedragingen gedurende de gehele periode niet (ten volle) in staat was zijn wil te bepalen. In de periode die vooraf ging aan het primaire besluit is in de gedingstukken geen enkele aanwijzing te vinden voor aanwezigheid van een psychische component die het college aanleiding had moeten geven daarnaar een nader onderzoek in te stellen. Het uit later ingebrachte stukken blijkende alcoholprobleem van betrokkene is binnen de dienst nooit opgemerkt. De in de bezwaarfase overgelegde verklaring van de huisarts van betrokkene, inhoudend dat betrokkene vanaf medio 2010 onder zijn behandeling is wegens depressieve klachten en wisselende stemmingen en dat betrokkene, wanneer hij in een labiele fase verkeert, onvoldoende in staat is grenzen te stellen, biedt evenmin voldoende grond om het college gehouden te achten een onderzoek in te (doen) stellen naar de toerekenbaarheid van de gedragingen. De verklaring is daarvoor te weinig specifiek.

4.1.3.

Van een onzorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit is daarom geen sprake. Wanneer betrokkene thans stelt dat zijn slechte psychische toestand van invloed was op zijn gedragingen, dient hij die stelling voldoende aannemelijk te maken.

4.1.4.

Bij de vraag of het plichtsverzuim is aan te merken als toerekenbaar plichtsverzuim is volgens vaste rechtspraak (CRvB 25 oktober 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY1276) van belang of betrokkene de ontoelaatbaarheid van het verweten gedrag heeft kunnen inzien en overeenkomstig dat inzicht heeft kunnen handelen. De (medische) verklaringen die betrokkene in beroep en hoger beroep heeft ingebracht laten zien dat betrokkene ten tijde van belang een antidepressivum en een kalmeringsmiddel/slaapmiddel slikte op voorschrift van zijn huisarts. Voor het overige hebben de verklaringen betrekking op begeleiding en behandeling in verband met verslaving vóór indiensttreding, dan wel na het ontslag van betrokkene. Voor zover het door de huisarts gesignaleerde probleem met grenzen stellen verwijst naar overmatig alcoholgebruik van betrokkene in de relevante periode, verwijst de Raad naar zijn vaste rechtspraak (ECLI:NL:CRvB:2000:ZB9097 en ECLI:NL:CRVB:2008:BG4964) die inhoudt dat een alcoholverslaving op zichzelf niet een verontschuldigende factor vormt bij de beoordeling van onder invloed daarvan gepleegd plichtsverzuim. Het plichtsverzuim is dus toerekenbaar.

4.1.5.

Resteert het subsidiaire standpunt van betrokkene dat, als wordt uitgegaan van toerekenbaar plichtsverzuim, de opgelegde straf buitenproportioneel is in relatie tot de verweten gedragingen. Ook dat standpunt wordt niet gevolgd. Het plichtsverzuim bestaat allereerst uit meer dan 1200 niet functiegerelateerde bevragingen van het Kadaster, deels met gebruikmaking van het computer- en gebruikersaccount van betrokkene zelf, maar deels ook van het account van een collega. Het leeuwendeel daarvan had betrekking op woonhuizen in Bunschoten, waar betrokkene in de toekomst zou willen gaan wonen, en in zijn woonplaats Capelle aan den IJssel. Zes bevragingen hadden betrekking op de eigendoms- en hypotheekgegevens van woningen van collega’s en vier op gegevens van bekende Nederlanders. Al deze bevragingen zijn in strijd met de binnen de gemeente geldende voorschriften en gedragscodes voor gebruikmaking van middelen van de gemeente. Met al deze bevragingen was tijd en geld van de gemeente gemoeid. Daar komt bij dat - hoewel in het Kadaster vastgelegde gegevens in beginsel openbaar zijn - het onnodig achter hun rug om neuzen in financiële gegevens van collega’s (en bekende Nederlanders) door betrokkenen in het algemeen als onaangenaam wordt ervaren. De periode gedurende welke en de mate waarin dit misbruik heeft plaatsgevonden zijn zodanig omvangrijk dat ook de Raad deze gedragingen slechts als zeer ernstig plichtsverzuim kan aanmerken.

4.1.6.

Wat betreft de niet functiegerelateerde GBA bevragingen is blijkens de tekst van het aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde advies van de bezwarencommissie aan betrokkene in vijf gevallen van (in hoofdzaak) collega’s het voordeel van de twijfel gegeven. Uit de tekst van het bestreden besluit, gelezen in samenhang met het primaire besluit en het verweerschrift in bezwaar komt echter duidelijk naar voren dat het college dit voordeel niet heeft willen geven en ook de bedoelde vijf gevallen als plichtsverzuim heeft willen aanmerken. Alle GBA-bevragingen zijn evident in strijd met de afgegeven autorisatie en overige voorschriften. Tot slot is er de aanvankelijke ontkenning van niet functie gerelateerd gebruik van het GBA. De Raad volgt het standpunt van de rechtbank en van het college dat het vastgestelde plichtsverzuim de kern van betrokkenes functie raakt, die vereist dat hij professioneel en integer omgaat met privacygevoelige informatie. Betrokkene heeft door dit handelen het vertrouwen van de gemeente verspeeld. De Raad acht de maatregel van disciplinair ontslag niet onevenredig aan het vastgestelde plichtsverzuim.

4.1.7.

Het hoger beroep van betrokkene slaagt niet.

4.2.

Gelet op het vorenstaande behoeft het hoger beroep van het college geen bespreking meer.

4.3.

In de nadere beslissing op bezwaar van 31 januari 2012 heeft het college in het verlengde van het ingestelde hoger beroep beslist dat in aanvulling op de beslissing op bezwaar van

21 juni 2011 alle opvragingen van GBA-gegevens die staan beschreven in het primaire besluit van 29 maart 2011 worden verweten aan betrokkene en als grondslag gelden voor het ontslag.

Zoals reeds ter zitting van de Raad aan de orde is geweest bevat dit schrijven geen ander rechtsgevolg dan reeds was verbonden aan het besluit van 29 maart 2011, zoals gehandhaafd bij besluit van 21 juni 2011. Er is dus geen sprake van een besluit maar van een aanvulling van de motivering van laatstgenoemd besluit. Er is daarom geen aanleiding de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht toe te passen.

4.4.

Op grond van al het vorenstaande is de slotconclusie van de Raad dat de aangevallen uitspraak, voor zover door betrokkene aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

III. BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, R. Kooper en G.P.A.M. Garvelink-Jonkers, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 10 oktober 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) B. Rikhof

HD