Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2004

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
10-10-2013
Zaaknummer
13-2197 WWB + 13-4509 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen, omdat verzoeker als ongewenst vreemdeling niet behoort tot de personenkring van de en dat aan verzoeker ook bij zeer dringende redenen geen bijstand kan worden verleend. De rechtbank heeft terecht overwogen dat niet in geschil dat verzoeker geen vreemdeling is als bedoeld in artikel 11, van de WWB, dat hij ook in geval van zeer dringende redenen niet voor bijstand in aanmerking kan komen en dat ook het beroep op artikel 8 EVRM geen doel treft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJB 2013/2219
ABkort 2013/379
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/2197 WWB, 13/4509 WWB-VV

Datum uitspraak: 9 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Voorzieningenrechter

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening

Partijen:

[Verzoeker] te [woonplaats] (verzoeker)

het college van burgemeester en wethouders van Arnhem (college)

PROCESVERLOOP

Namens verzoeker heeft mr. J. Klaas, advocaat, hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van 4 april 2013, 12/676 en 12/3745 (aangevallen uitspraak). Nadien heeft mr. W.G. Fischer namens verzoeker een verzoek om voorlopige voorziening ingediend.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Verzoeker heeft nadere stukken ingediend.

Desgevraagd is van de Dienst Terugkeer en Vertrek van het Ministerie van Veiligheid en Justitie (DT&V) informatie ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2013, waar verzoeker is verschenen, bijgestaan door mr. Fischer, mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, C. Groenendijk en

M. Bolech. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A. de Ronde. Na schorsing heeft het onderzoek ter zitting vervolgens plaatsgevonden op 27 augustus 2013, waar voornoemde personen, met uitzondering van Bolech, wederom zijn verschenen.

Op 10 september 2013 heeft de voorzieningenrechter in de zaak geregistreerd onder nummer 13/4279 WMO-VV uitspraak gedaan op het verzoek om voorlopige voorziening gericht tegen de afwijzing om opvang te bieden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo), zie ECLI:NL:CRVB:2013:1731. Thans doet de voorzieningenrechter uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening gericht tegen de afwijzing om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB).

OVERWEGINGEN

1.

De voorzieningenrechter verwijst voor de van belang zijnde feiten en omstandigheden naar zijn uitspraak van 10 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1731. Hij volstaat hier met het vermelden van wat in de WWB-procedure nog van belang is.

1.1.

Verzoeker is een uitgeprocedeerde asielzoeker. Bij besluit van de Staatssecretaris van Justitie van 11 januari 2010 is hij tot ongewenst vreemdeling verklaard.

1.2.

Verzoeker heeft op 2 februari 2012 bij het college, voor zover hier van belang, een aanvraag ingediend om hulp op grond van de WWB.

1.3.

Bij besluit van 22 maart 2012 heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen, omdat verzoeker niet rechtmatig in Nederland verblijft.

1.4.

Bij besluit van 3 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 22 maart 2012 ongegrond verklaard. Hierbij is overwogen dat verzoeker als ongewenst vreemdeling niet behoort tot de personenkring van de WWB als bedoeld in artikel 11 van de WWB en dat op grond van artikel 16, tweede lid, van de WWB aan verzoeker ook bij zeer dringende redenen geen bijstand kan worden verleend.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover hier van belang, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Onder verwijzing naar CRvB

11

januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV0611, heeft de rechtbank overwogen dat niet in geschil dat verzoeker geen vreemdeling is als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB, dat hij, gelet op artikel 16, tweede lid, van de WWB ook in geval van zeer dringende redenen niet voor bijstand in aanmerking kan komen en dat ook het beroep op artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) geen doel treft.

3.

Verzoeker betwist, voor zover hier van belang, het oordeel van de rechtbank dat de bijstand terecht is afgwezen. Volgens verzoeker kan het college wel hulp op grond van de WWB bieden, omdat volgens hem artikel 16, tweede lid, van de WWB buiten toepassing dient te blijven.

4.

De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge de artikelen 8:104, eerste lid, en 8:108, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

4.2.

Ingevolge artikel 8:108, eerste lid, van de Awb in verbinding met artikel 8:86, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de hoofdzaak, tevens onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

4.3.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat in dit geval de onder 4.2 bedoelde situatie zich voordoet en dat ook overigens geen sprake is van beletselen om tevens onmiddellijk uitspraak te doen in de hoofdzaak, een en ander voor zover het om de WWB-procedure gaat.

4.4.

De voorzieningenrechter onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. Ook de in hoger beroep nader overgelegde stukken, waaronder het rapport van D.H. van der Heide, psychiater, van 1 augustus 2013 biedt geen aanknopingspunten voor het standpunt van verzoeker dat artikel 16, tweede lid, van de WWB buiten toepassing dient te worden gelaten.

4.5.

Uit hetgeen onder 4.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep, voor zover betrekking hebbend op de WWB-procedure, niet slaagt. Dit betekent tevens dat geen grond aanwezig is voor het treffen van een voorlopige voorziening, zodat het verzoek daartoe zal worden afgewezen.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij het beroep tegen het besluit van

3 juli 2012 ongegrond is verklaard;

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door H.C.P. Venema, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2013.

(getekend) H.C.P. Venema

(getekend) S. Aaliouli

TM