Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:2000

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
10-10-2013
Zaaknummer
12-5706 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt was. In verband met ziekmeldingen heeft appellante een uitkering op grond van de ZW ontvangen. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het Uwv terecht de geschiktheid van appellante voor ten minste één van de in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies heeft getoetst. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig of onvolledig is geweest. De rechtbank heeft dan ook terecht geconcludeerd dat niet gebleken is dat de beperkingen van appellante zodanig waren dat zij de functie van assemblagemedewerker niet kon verrichten en dat het Uwv terecht en op goede gronden besloten heeft appellante met ingang van 9 mei 2011 geen ZW-uitkering meer te verstrekken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

12/5706 ZW

Datum uitspraak: 9 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

27 september 2012, 11/1832 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A. Aksözek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Aksözek en door haar dochter[naam dochter]. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN

1.1. Bij besluit van 4 april 2008 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat zij met ingang van 24 januari 2008 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 27 augustus 2008 ongegrond verklaard. Appellante heeft hierin berust. Vanaf 24 januari 2008 heeft appellante een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Vanuit de situatie waarin zij deze laatste uitkering ontving heeft zij zich enkele malen ziek gemeld, laatstelijk op 26 oktober 2010 met knie-, rug- en hoofdpijnklachten. In verband hiermee heeft zij een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen.

1.2. Op 2 mei 2011 heeft appellante het spreekuur van een verzekeringsarts bezocht. Deze heeft appellante ondanks de nog aanwezige klachten van het bewegingsapparaat weer geschikt geacht voor ten minste één van de in het kader van de WIA-beoordeling in 2008 geduide functies. De verzekeringsarts heeft daarbij de functie van assemblagemedewerker A genoemd. In overeenstemming hiermee heeft het Uwv bij besluit van 2 mei 2011 de
ZW-uitkering van appellante met ingang van 9 mei 2011 beëindigd. Bij besluit van 27 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 2 mei 2010 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit is een rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 24 juni 2011 ten grondslag gelegd.

2.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat het Uwv terecht de geschiktheid van appellante voor ten minste één van de in het kader van de WIA-beoordeling geduide functies heeft getoetst. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het onderzoek door de (bezwaar)verzekeringsartsen onzorgvuldig of onvolledig is geweest. Ook heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van hun bevindingen. De rechtbank heeft daarbij in aanmerking genomen dat zij appellante op het spreekuur hebben gezien, dossierstudie hebben verricht en informatie bij de behandelend sector hebben opgevraagd. Anders dan door appellante gesteld heeft de bezwaarverzekeringsarts de psychische klachten en de toegenomen rug- en knieklachten van appellante bij de beoordeling meegewogen. Ook heeft de bezwaarverzekeringsarts deze toegenomen klachten getoetst aan de belasting in de functie van assemblagemedewerker A. Dat appellante meer beperkt was dan door de bezwaarverzekeringsarts is aangenomen, heeft zij niet met medische stukken geobjectiveerd. De door appellante overgelegde informatie van de radioloog en de maag-, darm-, leverarts ziet niet op de datum in geding. Uit het door haar overgelegde overzicht van haar medicijngebruik blijkt niet dat appellante op de datum in geding medicatie gebruikte die haar reactiesnelheid kon beïnvloeden. De rechtbank heeft dan ook geconcludeerd dat niet gebleken is dat de beperkingen van appellante op 9 mei 2011 zodanig waren dat zij de functie van assemblagemedewerker A niet kon verrichten en dat het Uwv terecht en op goede gronden besloten heeft appellante met ingang van 9 mei 2011 geen ZW-uitkering meer te verstrekken.

3.

De Raad stelt vast dat het hoger beroep in essentie een herhaling van zetten vormt. Appellante heeft geen nieuwe gegevens overgelegd.

4.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die de rechtbank tot dit oordeel hebben geleid geheel. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2013.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) I.J. Penning

HD