Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1998

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
10-10-2013
Zaaknummer
12-747 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft het Uwv vastgesteld dat appellante geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA op de grond dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend is op minder dan 35%. Appellante heeft in beroep en hoger beroep geen nadere medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat zij meer beperkt moet worden geacht dan door de bezwaarverzekeringsarts is vastgesteld. Daarom bestaan onvoldoende aanknopingspunten om het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden en wordt uitgegaan van de juistheid van de FML. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit wordt vastgesteld dat een oorspronkelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functie is komen te vervallen. Daarom wordt aanleiding gezien om de omstandigheid dat niet eerder dan bij rapport toereikend is gemotiveerd waarom de uiteindelijk voor de schatting gebruikte functies voor appellante passend zijn te achten, te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Wel proceskostenvergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/747 WIA

Datum uitspraak: 9 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

28 december 2011, 11/5896 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.L. Kuit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2013. Voor appellante is verschenen mr. Kuit. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante was werkzaam als docent informatica voor 22 uur per week toen zij op
20 januari 2009 voor dit werk is uitgevallen wegens klachten als gevolg van een auto-ongeval in oktober 2008.

1.2. Naar aanleiding van haar aanvraag om een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is appellante op 17 november 2010 onderzocht door een verzekeringsarts. Deze arts heeft geconstateerd dat bij appellante als rechtstreeks en medisch objectief vast te stellen gevolg van ziekte of gebrek sprake is van beperkingen van de mogelijkheden om te functioneren. Deze beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 3 januari 2011. Hiervan uitgaande heeft de arbeidsdeskundige met gebruikmaking van het Claim Beoordelings- en Borgingssysteem (CBBS) een drietal functies geselecteerd. Op basis daarvan is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante berekend op minder dan 35%. Bij besluit van 6 januari 2011 heeft Uwv dienovereenkomstig vastgesteld dat appellante met ingang van 18 januari 2011 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA.

1.3. Het bezwaar van appellante tegen het besluit van 6 januari 2011 is, na een herbeoordeling door de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige, bij besluit van 7 juni 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

3.

Appellante kan zich niet verenigen met deze uitspraak en heeft in hoger beroep aangevoerd dat de informatie van de psycholoog door de bezwaarverzekeringsarts niet juist is uitgelegd. Het “meebuigen” van appellante heeft een dermate ernstige weerslag op haar gesteldheid dat zij steeds meer pijnklachten ontwikkelt. In dit licht is volgens appellante volstrekt onvoldoende rekening gehouden met haar klachten/beperkingen. Met deze klachten/beperkingen is appellante in het geheel niet in staat om (gangbare) arbeid te verrichten.

4.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.2.

Er bestaat geen aanleiding het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts voor onzorgvuldig te houden. Daarbij wordt van belang geacht dat de verzekeringsarts appellante op het spreekuur van 17 november 2011 heeft onderzocht en daarbij op de hoogte was van de nek- en schouderklachten als gevolg van het auto-ongeval in 2008. Tijdens het lichamelijk onderzoek zijn geen bevindingen gedaan die de pijnklachten van appellante kunnen verklaren, waarbij de verzekeringsarts ook de informatie van de revalidatiearts van 28 september 2010 heeft betrokken. Bij het onderzoek naar de psyche heeft de verzekeringsarts geen psychotische verschijnselen geconstateerd. Hij heeft geconcludeerd dat sprake is van een somatoforme stoornis. Op grond van deze bevindingen heeft de verzekeringsarts vastgesteld dat appellante is aangewezen op fysiek en psychisch niet al te zwaar belastende arbeid.

4.3.

Naar aanleiding van het ingediende bezwaarschrift van appellante heeft de bezwaarverzekeringsarts dossieronderzoek verricht en de hoorzitting van 27 april 2011 bijgewoond. Hij beschikte bij zijn beoordeling tevens over de opgevraagde informatie van de psycholoog H.C.M. Deitmers van 13 mei 2011. Deze informatie bevestigt het vermoeden dat sprake is van een aanpassingsstoornis omdat is gebleken dat appellante moeilijk kan accepteren dat zij met de pijnklachten op een lager niveau functioneert. Een dergelijke lichte mate van psychopathologie rechtvaardigt volgens de bezwaarverzekeringsarts echter geen uitgebreide psychische beperkingen. De verzekeringsarts heeft in de FML van 3 januari 2011 appellante uitgebreid beperkt op mentaal, dynamisch en statisch terrein, zodat slechts stressarme en vooral fysiek lichte (nek-, schouders- en rugsparende) arbeid resteert. Volgens de bezwaarverzekeringsarts ontbreekt het aan argumenten om dit oordeel voor onjuist te houden. Nu de verzekeringsarts echter enkele onduidelijke of beperkende toelichtingen heeft gescoord is de FML enigszins aangepast bij de FML van 25 mei 2011.

4.4.

Appellante heeft in beroep en hoger beroep geen nadere medische informatie overgelegd waaruit blijkt dat zij per 18 januari 2011 meer beperkt moet worden geacht dan door de bezwaarverzekeringsarts is vastgesteld. Daarom bestaan onvoldoende aanknopingspunten om het inzichtelijk gemotiveerde standpunt van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden en wordt uitgegaan van de juistheid van de FML van 25 mei 2011.

4.4.1.

Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit wordt vastgesteld dat, zoals blijkt uit het arbeidskundig rapport van 15 juli 2013, een oorspronkelijk aan de schatting ten grondslag gelegde functie, te weten werkmeester sociale werkplaats
(SBC-code 461060), is komen te vervallen. Er zijn echter reservefuncties geselecteerd, zodat ook na het vervallen van deze functie voldoende functies met voldoende arbeidsplaatsen resteren, die het oordeel kunnen dragen dat appellante minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Daarom wordt aanleiding gezien om de omstandigheid dat niet eerder dan bij bovengenoemd rapport - in samenhang bezien met het rapport van 6 juni 2011 - toereikend is gemotiveerd waarom de uiteindelijk voor de schatting gebruikte functies voor appellante passend zijn te achten, te passeren met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht. Wel bestaat er reden om het Uwv te veroordelen tot het vergoeden van de door appellante in beroep en hoger beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten worden begroot op
€ 944.- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 944,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

5.

Uit hetgeen is overwogen in 4.2 tot en met 4.4.1 volgt dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot € 1.888,-, te betalen door het Uwv.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en
A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2013.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) I.J. Penning

HD