Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1990

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
10-10-2013
Zaaknummer
11-3834 WAO
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2011:2630, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Bij uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen om met inachtneming van de uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen. Bij bestreden besluit heeft het Uwv, onder aanvulling van de motivering, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant wederom vastgesteld op 55 tot 65%. Voor de beoordeling door de rechtbank in het onderhavige geschil resteerden de aspecten met betrekking tot vervoersbeperking, het effect van de gebruikte medicatie op concentratie en handelingstempo, urenbeperking in verband met afwijkende leverfunctie- en bloedwaarden en de passendheid van de geduide functies. Er zijn geen aanknopingspunten om de bezwaarverzekeringsarts niet te volgen in zijn rapport waar hij stelt dat niet gebleken is dat bij appellant sprake is (geweest) van voortdurende (meer dan zes weken) bijwerkingen. Bij de beoordeling van de bloed- en leverfunctiewaarden van appellant zijn afwijkingen gevonden die niet leiden tot beperkingen in de belastbaarheid omdat de causale relatie met de klachten van appellant niet kon worden aangetoond. Met het arbeidskundig rapport heeft het Uwv voldoende inzichtelijk en toereikend gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies vanuit medisch oogpunt geschikt zijn voor appellant. Nu aan het bestreden besluit eerst in hoger beroep een voldoende draagkrachtige motivering ten grondslag is gelegd, bestaat er aanleiding het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand kunnen blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/3834 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

19 mei 2011, 10/3252 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.J. Wintjes, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken overgelegd.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben over en weer nadere reacties ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 januari 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Wintjes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.C.M. Huijzer.

De Raad heeft het onderzoek heropend en een nader standpunt van het Uwv gevraagd.

Het Uwv heeft als reactie een rapport van een bezwaararbeidsdeskundige van 22 januari 2013 overgelegd.

Appellant heeft zijn zienswijze gegeven op het rapport van 22 januari 2013.

Vervolgens hebben partijen over en weer nadere reacties ingediend.

De behandeling ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 28 augustus 2013, waar appellant is verschenen bij zijn gemachtigde mr. Wintjes en het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit, genomen op bezwaar, van 14 oktober 2009 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellant herzien naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%.

1.2. Bij uitspraak van 27 mei 2010 heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van
14 oktober 2009 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en het Uwv opgedragen om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen.

1.3. Bij besluit van 10 augustus 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv, onder aanvulling van de motivering, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant wederom vastgesteld op
55 tot 65%. Aan het bestreden besluit liggen (aanvullende) rapporten van een bezwaarverzekeringsarts van 7 juli 2010 en van een bezwaararbeidsdeskundige van 18 juli 2010 ten grondslag.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

2.2. De rechtbank heeft daartoe allereerst vastgesteld dat, nu er tegen haar uitspraak van
27 mei 2010 geen hoger beroep is ingesteld, voor het onderhavige geschil nog vier aspecten resteren. Vervolgens heeft de rechtbank geoordeeld dat de bezwaarverzekeringsarts met de gegeven uitleg inzake de vervoersbeperking van appellant in het rapport van 7 juli 2010, dat ten grondslag ligt aan het bestreden besluit, geen invulling heeft gegeven aan de door de rechtbank gevraagde motivering nu niet is toegelicht waarom de functie van inkoper, in welke functie auto gereden moet worden, passend is voor appellant. Het bestreden besluit komt derhalve wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in aanmerking voor vernietiging. De rechtbank heeft vervolgens aanleiding gezien het subsidiaire standpunt van het Uwv te volgen dat de functie van inkoper buiten beschouwing gelaten dient te worden, maar dat het vervullen van deze functie geen invloed heeft op de vastgestelde arbeidsongeschiktheidsklasse van 55 tot 65%. Ten aanzien van het medicatiegebruik overweegt de rechtbank dat de bezwaarverzekeringsarts heeft aangetoond dat bij de door appellant gebruikte medicatie geen contra-indicaties bestaan met betrekking tot handelingstempo en besturen van voertuigen. Uit de overgelegde medische informatie valt niet af te leiden dat er een causaal verband is tussen de door appellant aangegeven klachten en zijn medicijngebruik. Dit geldt ook ten aanzien van de uit de bloed- en leverwaarden vastgestelde afwijkingen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten kunnen worden.

3.1. Het hoger beroep richt zich tegen het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand gelaten kunnen worden. Appellant heeft daartoe (samengevat) aangevoerd dat de rechtbank zich ten onrechte heeft onthouden van een oordeel over de overige medische en arbeidskundige beroepsgronden zoals aangevoerd in het beroepschrift en ter zitting toegelicht. De rechtbank heeft ten onrechte niet de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit getoetst. Er dient een urenbeperking te worden aangenomen. De functies zijn niet passend. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunten heeft appellant een rapport overgelegd van de bedrijfs-/verzekeringsarts H. Donkers van
1 februari 2012, alsmede een nadere reactie van Donkers van 13 september 2012. Bij brief van 27 december 2012 heeft appellant nog aanvullende medische informatie ingediend.

3.2. In verweer heeft het Uwv rapporten overgelegd van de bezwaarverzekeringsarts van
15 augustus 2011 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 23 augustus 2011. In reactie op de door appellant ingediende rapporten van Donkers heeft het Uwv rapporten overgelegd van de bezwaarverzekeringsarts van 4 april 2012 alsmede 29 oktober 2012 en van de bezwaararbeidsdeskundige van 12 april 2012 en van 6 november 2012.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Met de rechtbank wordt vastgesteld dat, gelet op hetgeen de rechtbank in haar uitspraak van 27 mei 2010 heeft overwogen en geoordeeld en deze uitspraak in rechte is komen vast te staan nu daartegen geen hoger beroep is ingesteld, voor de beoordeling door de rechtbank in het onderhavige geschil resteerden de aspecten met betrekking tot vervoersbeperking, het effect van de gebruikte medicatie op concentratie en handelingstempo, urenbeperking in verband met afwijkende leverfunctie- en bloedwaarden en de passendheid van de geduide functies. De omvang van het geding is door de rechtbank dan ook niet te beperkt opgevat.

5.1.

In de uitspraak van 27 mei 2010 heeft de rechtbank geoordeeld dat niet is gebleken of het Uwv heeft onderzocht wat het effect is van de door appellant gebruikte medicijnen op concentratie en handelingstempo. De overweging van de rechtbank in de aangevallen uitspraak, dat de bezwaarverzekeringsarts met het toezenden van de bijsluiters heeft aangetoond dat bij deze medicatie geen contra-indicaties met betrekking tot het besturen van voertuigen en handelingstempo bestaan, wordt onderschreven. Hierbij wordt opgemerkt dat in de door appellant overgelegde verklaring van zijn behandelend arts dr. J. Hohenstein van
21 oktober 2009 in het bijzonder is gewezen op het gebruik van diclofenac en buscopan. In dit licht is de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 7 juli 2010 dan ook terecht met name ingegaan op het gebruik van deze twee medicijnen. Voorts was het gebruik van de overige medicatie door appellant bij het Uwv bekend en is daarmee bij de beoordeling door de (bezwaar)verzekeringsartsen rekening gehouden. Er zijn geen aanknopingspunten om de bezwaarverzekeringsarts niet te volgen in zijn rapport van 7 juli 2010 waar hij stelt dat niet gebleken is dat bij appellant sprake is (geweest) van voortdurende (meer dan zes weken) bijwerkingen.

5.2.

Met betrekking tot de bloed- en leverwaarden die zouden kunnen leiden tot een urenbeperking heeft de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 7 juli 2010 er op gewezen dat door de verzekeringsarts het aantal uren beperkt is tot maximaal 40 per week en niet in de nacht werken, waarmee een vast arbeidspatroon gecreëerd wordt waarbij niet alle te werken uren kunnen worden benut. Er is dus een indirecte urenbeperking aangenomen, waarmee naar de mening van de bezwaarverzekeringsarts het effect van de bloed- en leverfunctiewaarden is verantwoord. In zijn rapport van 5 oktober 2010 heeft de bezwaarverzekeringsarts vermeld dat afwijkende bloed- en leverfunctiewaarden op zich geen klachten hoeven te veroorzaken, het gaat om de eventuele beperkingen die als direct gevolg van afwijkende bloedwaarden worden gepresenteerd en of er een verband is met de ervaren klachten. Bij de beoordeling van de bloed- en leverfunctiewaarden van appellant zijn afwijkingen gevonden die niet leiden tot beperkingen in de belastbaarheid omdat de causale relatie met de klachten van appellant niet kon worden aangetoond. De Raad ziet geen aanknopingspunten voor het standpunt dat de voornoemde bevindingen van de bezwaarverzekeringsarts niet onderschreven kunnen worden.

5.3.

In zijn rapporten van 4 april 2012 en 29 oktober 2012 heeft de bezwaarverzekeringsarts zijn zienswijze gegeven op de door appellant overgelegde rapporten van Donkers. De Raad is van oordeel dat de bezwaarverzekeringsarts daarmee voldoende gemotiveerd en overtuigend heeft aangetoond dat er geen gronden zijn voor het aannemen van (verdergaande) beperkingen bij appellant met betrekking tot de arbeidsduur en het boven schouderhoogte actief zijn. De door appellant bij brief van 27 december 2012 overgelegde medische informatie van de behandelend arts dr. A. Valenzuela Bossmeyer van 8 december 2012 ziet niet op de datum in geding en kan derhalve de Raad niet tot een andersluidend oordeel leiden.

6.1.

Ter zitting op 16 januari 2013 is door partijen bevestigd dat bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant de bepalingen van het oude Schattingsbesluit (OSB) van toepassing zijn, hetgeen impliceert dat minimaal drie functies, met in totaal 30 arbeidsplaatsen moeten worden geduid. Met de brief van het Uwv van 24 april 2012 is de functie Verkoper detailhandel (SBC-code 517060) komen te vervallen en resteren nog drie functies, met in totaal 28 arbeidsplaatsen. Het betreft de functies Schadecorrespondent
(SBC-code 516080, 11 arbeidsplaatsen), Magazijnmedewerker (SBC-code 111220, 10 arbeidsplaatsen) en Wikkelaar (SBC-code 267050, 7 arbeidsplaatsen). Vervolgens is vastgesteld dat daardoor niet (meer) wordt voldaan aan de voorwaarden van het OSB. De Raad heeft het Uwv verzocht te laten weten welke gevolgen hij aan het voorgaande zal verbinden.

6.2.

Bij brief van 5 februari 2013 heeft het Uwv het rapport van de arbeidsdeskundige van
22 januari 2013 overgelegd, waarin deze heeft geconcludeerd dat binnen de
SBC-code 267050 nog een functie in het verlengde is te duiden, namelijk de functie van Monteur/monteuse met 24 arbeidsplaatsen, waardoor het aantal arbeidsplaatsen in deze
SBC-code op 31 komt en wordt voldaan aan de voorwaarden van het OSB. De mate van arbeidsongeschiktheid op de datum in geding blijft ongewijzigd 55 tot 65%. Bij brief van 5 april 2013 heeft het Uwv het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 2 april 2013 overgelegd waarin de signaleringen van de bijgeduide functie zijn toegelicht, alsmede die van de overige geduide functies. Tevens heeft het Uwv in deze brief vermeld dat er tussen de functies Wikkelaar en Monteur/monteuse een voldoende mate van verwantschap bestaat aangezien beide functies binnen dezelfde SBC-code zijn opgenomen. Bij brief van 15 april 2013 heeft het Uwv nog een rapport van de arbeidsdeskundig analist van 10 april 2013 overgelegd, waarin deze concludeert dat er voldoende verwantschap bestaat wat betreft niveau en richting van bekwaamheden, werksoort inhoudelijk en de zogenoemde 65% eis. Tenslotte heeft het Uwv bij brief van 7 juni 2013 nog het rapport van de bezwaararbeidsdeskundige van 4 juni 2013 overgelegd, waarin deze de functie van Wikkelaar heeft geactualiseerd naar 20 mei 2008. Het mediane loon is hierdoor gewijzigd, maar dit heeft geen gevolgen voor de schatting. De mate van arbeidsongeschiktheid wijzigt niet.

6.3.

Zoals de Raad reeds eerder heeft geoordeeld (zie onder meer de uitspraak van 27 mei 2011, LJN BQ7137) mogen door het Uwv functies worden bijgeduid indien het betrokkene op grond van de voorgehouden functies voldoende duidelijk kon zijn dat hij ook voor het vervullen van de bijgeduide functies geschikt zou kunnen worden geacht. Daarbij geldt dat er in ieder geval sprake is van een voldoende mate van verwantschap indien functies worden bijgeduid die vallen onder een voorgehouden SBC-code, aangezien het daarbij gaat om functies die wat betreft werkzaamheden voor ten minste 65% overeenstemmen. De mate van verwantschap tussen de voorgehouden functies en de bijgeduide functies wordt vastgesteld op basis van de aard en inhoud van de aan de bijgeduide en de voorgehouden functies verbonden werkzaamheden.

6.4.

Naar het oordeel van de Raad heeft het Uwv voldoende aannemelijk gemaakt dat tussen de functies wikkelaar en monteur/monteuse een voldoende mate van verwantschap bestaat. Gelet daarop kon het appellant duidelijk zijn dat hij ook voor het vervullen van de bijgeduide functie monteur/monteuse geschikt zou kunnen worden geacht.

6.5.

Met het arbeidskundig rapport van 2 april 2013 heeft het Uwv voldoende inzichtelijk en toereikend gemotiveerd dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies vanuit medisch oogpunt geschikt zijn voor appellant.

6.6.

Nu aan het bestreden besluit eerst in hoger beroep een voldoende draagkrachtige motivering ten grondslag is gelegd, bestaat er aanleiding het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand kunnen blijven. Derhalve kan de aangevallen uitspraak, zij het onder verbetering van de gronden, worden bevestigd.

7.

Gelet op het procesverloop en hetgeen in 6.6 is overwogen, bestaat er aanleiding het Uwv te veroordelen in de kosten van appellant in verband met aan hem verleende rechtsbijstand in hoger beroep, vastgesteld op een bedrag van € 1.652,- en te bepalen dat het Uwv aan appellant de door appellant betaalde griffierechten in hoger beroep aan hem vergoedt.

8.

Voor een veroordeling tot vergoeding van schade als bedoeld in artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.652,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant de betaalde griffierechten in hoger beroep van € 112,-

vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.T. van den Corput als voorzitter en J.S. van der Kolk en
A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2013.

(getekend) J.J.T. van den Corput

(getekend) I.J. Penning

HD