Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1984

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
09-10-2013
Datum publicatie
10-10-2013
Zaaknummer
11-6012 WMO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan appellant is bij besluit op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wmo aanspraak op een scootmobiel in bruikleen verleend. Bij brief is appellant geïnformeerd over een wijziging van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Ede 2010. De belangrijkste wijziging is dat het college voor alle voorzieningen, dus ook voor een scootmobiel, een eigen bijdrage zal gaan opleggen. Bij besluit heeft het college aan appellant een eigen bijdrage in de kosten van de scootmobiel opgelegd. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat in het systeem van de Wmo en het Bmo past dat het college flexibel gebruik moet kunnen maken van zijn bevoegdheid een eigen bijdrage op te leggen, ook als dit niet gelijktijdig met de verlening van de aanspraak op de voorziening plaats vindt. Van strijd met het vertrouwens- of rechtzekerheidsbeginsel is geen sprake. Evenmin is sprake van rechtsongelijkheid. De bepaling uit het BW die van toepassing is op de gecontracteerde leverancier staat niet in de weg aan het opleggen van een eigen bijdrage voor de kosten die de gemeente moet maken voor de aan appellant verstrekte scootmobiel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/171
RSV 2013/294 met annotatie van Redactie
RZA 2015/40
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6012 WMO

Datum uitspraak: 9 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van

8 september 2011, 11/1869 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. P. Breedveld hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. drs. Breedveld. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

A. Brouwer.

OVERWEGINGEN

1.1. Aan appellant is bij besluit van 26 juni 2009 op grond van het bepaalde bij en krachtens de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) aanspraak op een scootmobiel in bruikleen verleend.

1.2. Bij brief van 30 juni 2010 is appellant geïnformeerd over een wijziging van de Verordening voorzieningen maatschappelijke ondersteuning Ede 2010 (Verordening). De belangrijkste wijziging is dat het college voor alle voorzieningen, dus ook voor een scootmobiel, een eigen bijdrage zal gaan opleggen. Er geldt een overgangsregeling tot

1 januari 2011.

1.3. Bij besluit van 1 november 2010 heeft het college aan appellant per 1 januari 2011 een eigen bijdrage in de kosten van de scootmobiel opgelegd.

1.4. Het door appellant tegen dit besluit gemaakte bezwaar heeft het college bij (bestreden) besluit van 5 april 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank, onder verwijzing naar artikel 15 van de Wmo, de geschiedenis van de totstandkoming van dat artikel (Kamerstukken II 2205/05, 30131, nr. 3 blz. 34-35) en het Besluit maatschappelijke ondersteuning (Bmo) met de daarbij behorende nota van toelichting (blz. 18-19 en 23-24; Staatsblad 2006, 450), overwogen dat het college, gelet op het hieruit volgende systeem, flexibel gebruik moet kunnen maken van zijn bevoegdheid om een eigen bijdrage op te leggen. Ook aan belanghebbenden zoals appellant, aan wie eerder een voorziening is toegekend, kan dus alsnog een eigen bijdrage worden opgelegd. Artikel 9, eerste lid, van de Verordening is niet van toepassing, zodat er geen reden is de periode, waarover een eigen bijdrage wordt opgelegd, te beperken tot 39 perioden van vier weken. De bruikleenovereenkomst met de door de gemeente gecontracteerde leverancier staat niet in de weg aan het opleggen van een eigen bijdrage, omdat de rechtsverhouding tussen appellant en het college wordt beheerst door de bepalingen van de Wmo en de Verordening.

3.

Appellant heeft hiertegen aangevoerd te blijven bij zijn standpunt dat het college niet bevoegd is een eigen bijdrage op te leggen in gevallen waarin reeds een voorziening is toegekend. Hij verwijst daartoe naar de tekst van artikel 7, eerste lid, van de Verordening. Het achteraf opleggen van een eigen bijdrage acht hij in strijd met het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel. Volgens appellant is sprake van rechtsongelijkheid ten opzichte van voorzieningen die in eigendom zijn verstrekt. Ten slotte stelt appellant dat bruikleen ingevolge het Burgerlijk Wetboek (BW) een verstrekking om niet is; het opleggen van een eigen bijdrage voor de scootmobiel is daarmee in strijd.

4.

De Raad overweegt als volgt.

4.1.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat in het systeem van de Wmo en het Bmo past dat het college flexibel gebruik moet kunnen maken van zijn bevoegdheid een eigen bijdrage op te leggen, ook als dit niet gelijktijdig met de verlening van de aanspraak op de voorziening plaats vindt. Het overgangsrecht van artikel 47 van de Verordening en de daarbij gegeven toelichting wijzen er onmiskenbaar op dat artikel 7 van de Verordening, op grond waarvan aan appellant een eigen bijdrage is opgelegd, ook geldt voor reeds verstekte voorzieningen. De Raad wijst voorts op de nota van toelichting bij het Besluit van

5 december 2012, houdende wijziging van onder meer het Bmo (Staatsblad 2012, 628,

blz. 13), waarin staat dat de oude tekst van artikel 4.4 van het Bmo in de praktijk leidde tot het misverstand dat de gemeente geen bijdrageplicht zou mogen opleggen als de maatschappelijke ondersteuning al is verleend. Dit mag weliswaar niet met terugwerkende kracht, maar is wel mogelijk vanaf het moment dat de gemeente de bijdrageplicht in de Verordening heeft geregeld. De stelling van appellant, dat hij er ten opzichte van de Wet voorzieningen gehandicapten niet op achteruit mag gaan, slaagt niet. De door appellant in dit verband genoemde motie Verbeet (Kamerstukken II 2004,2005, 29538, nr.37) heeft - wat daarvan verder zij - betrekking op rolstoelen en niet op scootmobielen.

4.2.

De Raad is niet gebleken van een concrete en ondubbelzinnige toezegging dat nimmer een eigen bijdrage zal worden opgelegd. Van strijd met het vertrouwensbeginsel is dan ook geen sprake. Evenmin is sprake van strijd met de rechtszekerheid aangezien appellant al bij brief van 30 juni 2010 is geïnformeerd over het opleggen van de eigen bijdrage. Ook is een ruime overgangstermijn in acht genomen.

4.3.

De Raad deelt niet het standpunt van appellant dat sprake is van rechtsongelijkheid omdat voor een voorziening in eigendom slechts gedurende 39 maal vier weken een eigen bijdrage wordt opgelegd, terwijl bij bruikleen een eigen bijdrage wordt opgelegd zolang de bruikleen duurt. Gelet op artikel 5 van de Wmo en artikel 4.1, vijfde lid, van het Bmo staat het de gemeenteraad vrij om te regelen dat een voorziening in bruikleen dan wel in eigendom wordt verleend. De gemeenteraad heeft dit geregeld in artikel 9 van de Verordening en is daarmee gebleven binnen de grenzen van genoemde artikelen. De scootmobiel is aan appellant niet in eigendom verstrekt, dus mag aan appellant, op grond van artikel 9, derde lid, van de Verordening, een bijdrage in rekening worden gebracht zolang de bruikleen duurt.

4.4.

De beroepsgrond van appellant, dat bruikleen ingevolge het BW een verstrekking om niet is en dat daarom geen eigen bijdrage mag worden opgelegd, slaagt ook niet. Bij het besluit van 26 juni 2009 heeft het college aan appellant een aanspraak verleend op een scootmobiel in bruikleen. Deze aanspraak op een voorziening moet worden onderscheiden van de daadwerkelijke realisering van die aanspraak. Het door het college opleggen van een eigen bijdrage bouwt voort op het verkrijgen van die aanspraak en vindt een eigen grondslag in de Wmo en de Verordening. De eigen bijdrage kan dan ook niet worden aangemerkt als een vergoeding voor de bruikleen, op grond waarvan het feitelijk gebruik van de scootmobiel plaatsvindt. De bepaling uit het BW die van toepassing is op de gecontracteerde leverancier staat daarom niet in de weg aan het opleggen van een eigen bijdrage voor de kosten die de gemeente moet maken voor de aan appellant verstrekte scootmobiel.

5.

Het hoger beroep slaagt niet.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door R.M. van Male als voorzitter en I.M.J. Hilhorst-Hagen en

M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 oktober 2013.

(getekend) R.M. van Male

(getekend) K.E. Haan

QH