Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1974

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
04-10-2013
Datum publicatie
10-10-2013
Zaaknummer
11-6233 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de bezwaarverzekeringsarts bij rapport een nadere motivering van de medische grondslag van het bestreden besluit gegeven. Zij heeft verwezen naar de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts tijdens diens onderzoek en de door haar opgestelde FML. Vervolgens heeft de bezwaarverzekeringsarts geconcludeerd dat geen sprake is van toegenomen beperkingen vergeleken met de FML. Zij heeft haar standpunt gehandhaafd dat geen sprake is van toegenomen beperkingen gedurende minimaal vier weken sinds 14 april 2009. De Raad acht de door de bezwaarverzekeringsarts uitgesproken twijfel aan de juistheid van de bevindingen van verzekeringsarts al met al onvoldoende gemotiveerd. Er is niet kunnen blijken van objectief-medische aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts en de door haar opgestelde FML, waarin toegenomen beperkingen zijn opgenomen. Het hoger beroep slaagt voor wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit. De rechtsgevolgen van het bestreden besluit kunnen in stand kunnen wel blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6233 WAO

Datum uitspraak: 4 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

7 september 2012, 11/160 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

De Raad heeft in het geding tussen partijen op 3 mei 2013 een tussenuitspraak (ECLI:NL:CRVB:2013:CA0783) gedaan.

Het Uwv heeft hierop bij brief van 17 juli 2013 nadere rapporten ingezonden van de bezwaarverzekeringsarts, gedateerd 15 juli 2013, en van de bezwaararbeidsdeskundige, gedateerd 17 juni 2013. Hiermee zijn, naar de mening van het Uwv, de in genoemde tussenuitspraak door de Raad geconstateerde gebreken in het bestreden besluit van

29 november 2010 voldoende hersteld en is dit besluit voldoende gemotiveerd.

Appellant heeft hierop gereageerd bij brief van 15 augustus 2013, waarna het Uwv een nader rapport van de bezwaarverzekeringarts gedateerd 27 august 2013 heeft ingezonden.

De Raad heeft met toepassing van artikel 8:57, tweede en derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaald dat nader onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad verwijst naar zijn tussenuitspraak voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij uitgaat bij zijn oordeelsvorming. Hieraan voegt hij het volgende toe.

2.1.

In overweging 1.3 van de tussenuitspraak is de Raad ingegaan op de medische grondslag van het besluit van 6 februari 2008 waarbij de WAO-uitkering van appellant is ingetrokken met ingang van 7 april 2008. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. De bezwaarverzekeringsarts heeft vervolgens op basis van het verhandelde tijdens de hoorzitting op 19 mei 2008 en actuele informatie van de behandelende neuroloog

dr. R.M. van den Berg-Vos, gedateerd 3 juni 2008, geconcludeerd dat de verzekeringsarts met juistheid de beperkingen van appellant zoals die golden op de ter beoordeling voorliggende datum, 7 april 2008, heeft vastgesteld en neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 27 november 2007. Het bezwaar is ongegrond verklaard bij besluit van 7 juli 2008, waartegen geen rechtsmiddelen zijn aangewend en derhalve in rechte vast staat.

2.2.

Naar aanleiding van de tussenuitspraak heeft de bezwaarverzekeringsarts W.M. Koek bij rapport van 15 juli 2013 een nadere motivering van de medische grondslag van het bestreden besluit gegeven. Zij heeft verwezen naar de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsarts tijdens diens onderzoek in november 2007 en de door hem opgestelde FML van

27 november 2007, die ook zagen op de beoordelingsdatum 7 april 2008. Vervolgens heeft zij geconcludeerd dat, gelet op de actuele informatie van de behandelaars van appellant, waaruit blijkt van een minimale discusprolaps en pseudoradiculaire klachten op basis van

sacro-iliacale irritatie aan de rechterzijde, geen sprake is van toegenomen beperkingen vergeleken met de FML van november 2007. Koek heeft overleg gevoerd met Seignette en beiden zijn, aldus Koek, tot de conclusie gekomen dat de door Seignette bij het rugonderzoek in maart 2010 geconstateerde bevindingen, welke hebben geleid tot de conclusie dat sprake is van enige toename van de beperkingen, niet kunnen worden geobjectiveerd door de actuele informatie van de behandelende sector en derhalve berusten op de subjectieve klachten van appellant. Koek heeft dan ook haar standpunt gehandhaafd dat geen sprake is van toegenomen beperkingen gedurende minimaal vier weken sinds 14 april 2009.

2.3.

Bij rapport van 17 juni 2013 heeft de bezwaararbeidsdeskundige, naar aanleiding van de tussenuitspraak, een arbeidskundige heroverweging in bezwaar gemaakt. Hij is tot de conclusie gekomen dat de door de arbeidsdeskundige geselecteerde functies geschikt zijn te achten voor appellant en dat terecht is vastgesteld dat geen sprake is van verlies aan verdienvermogen voor de WAO.

2.4.

Appellant heeft hierop gereageerd bij brief van 15 augustus 2013. Hij heeft aangevoerd dat zijn beperkingen, zoals vastgelegd in de FML van 31 mei 2010, zijn onderschat en heeft hiertoe verwezen naar de in het dossier aanwezige informatie van de behandelende sector. Verder is hij van mening dat uit de rapporten van Koek niet valt op te maken op welke onderzoeksbevindingen haar standpunt is gebaseerd. Hij heeft de Raad verzocht om benoeming van een onafhankelijk medisch deskundige. Ten aanzien van de voorgehouden functies heeft hij aangevoerd dat de functies van heftruckchauffeur en expeditiemedewerker ongeschikt zijn, gelet op de daarin voorkomende belasting op de aspecten duwen/trekken, tillen/dragen en buigen.

3.1.

De Raad overweegt het volgende.

3.2.

Bezwaarverzekeringsarts Koek heeft de door verzekeringsarts Seignette vastgestelde toegenomen beperkingen ten aanzien van de rug van appellant in twijfel getrokken. Zij heeft hiertoe de bevindingen van de verzekeringsarts bij het rugonderzoek in november 2007 en de informatie van de behandelende sector toentertijd vergeleken met de bevindingen bij het rugonderzoek van Seignette en de recente informatie van de behandelende sector. Uit het rapport van Seignette van 31 mei 2010 blijkt dat zij bij het rugonderzoek heeft vastgesteld dat de flexie van de rug bij appellant sterk beperkt en pijnlijk is met uitstralende pijn naar het rechterbeen bij 30 graden. Bij de proef van Lasègue (SLR) heeft zij genoteerd: “dubieus beiderzijds”. Vervolgens heeft Seignette geconcludeerd dat de beperkingen van appellant zijn toegenomen. In plaats van links, zoals aangenomen door de verzekeringsarts in 2007, zit de pijn nu in het rechterbeen. Naast de bekende rugbeperkingen uit 2007 gelden nu ook beperkingen ten aanzien van (frequent) buigen, tillen en staan. De zienswijze van Koek, dat de bevinding van Seignette dat het buigen beperkt was tot 30 graden subjectief is en dat de proef van Lasègue negatief was, zodat de beperking op buigen niet onderbouwd is, is niet overtuigend, waarbij met name van belang is dat Koek appellant niet lichamelijk heeft onderzocht. Bovendien is Koek niet ingegaan op de door Seignette vastgestelde toename van beperkingen op de aspecten tillen en staan. De Raad acht de door Koek uitgesproken twijfel aan de juistheid van de bevindingen van Seignette al met al onvoldoende gemotiveerd.

3.3.

Appellant heeft aangevoerd dat, gelet op de ter beschikking staande informatie vanuit de behandelende sector, onvoldoende rekening is gehouden met zijn (toegenomen) rugklachten in de FML van 31 mei 2010. De voorhanden medische informatie, met name de brieven van neurologen Ten Have van 9 juni 2009 en Van den Berg-Vos van 21 oktober 2010, is door Seignette bij haar oordeelsvorming betrokken. Er is niet kunnen blijken van

objectief-medische aanknopingspunten voor twijfel aan de juistheid van de bevindingen van Seignette en de door haar opgestelde FML, waarin toegenomen beperkingen zijn opgenomen ten aanzien van buigen, tillen en staan. De Raad ziet dan ook geen aanleiding voor inschakeling van een onafhankelijk medisch deskundige.

3.4.

De (bezwaar)arbeidsdeskundige heeft de functies van chauffeur heftruck

(Sbc-code 111270), productiemedewerker industrie (Sbc-code 111180) en

magazijn-, expeditiemedewerker (Sbc-code 111220) geschikt geacht voor appellante. Seignette heeft een beperking op buigen vastgesteld tot ongeveer 60 graden, ongeveer 300 keer per uur, een beperking tot ongeveer 10 kg tillen of dragen met een frequentie van ongeveer 5 keer per uur en ongeveer een half uur achtereen staan gedurende maximaal de helft van de werkdag (ongeveer 4 uren). Ten aanzien van duwen/trekken is een normale belastbaarheid van ongeveer 15 kgf vastgesteld. Door de arbeidsdeskundige en bezwaararbeidsdeskundige is, bij rapporten van respectievelijk 5 juli 2010 en 17 juni 2013, afdoende gemotiveerd dat de belasting in deze functies ten aanzien van tillen/dragen en buigen de door de verzekeringsarts Seignette vastgestelde belastbaarheid van appellant niet te boven gaat. Ten aanzien van het verplaatsen van pallets, waarvan het gewicht veelal onder de 10 kg ligt, wordt de belastbaarheid van appellant ten aanzien van duwen/trekken niet overschreden.

3.5.

Gelet op de overwegingen 3.2 en 3.3 slaagt het hoger beroep voor wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd evenals het bestreden besluit. Uit overweging 3.4 volgt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven.

4.

Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 944,- wegens kosten aan verleende rechtsbijstand in beroep en op € 1.652,- wegens kosten aan verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 2.596,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 29 november 2010;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een

totaalbedrag van € 2.596,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel, in tegenwoordigheid van G.J. van Gendt als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) G.J. van Gendt

IvR