Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1971

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
12-4413 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen permanente ontheffing van de arbeidsverplichtingen, ook al appellant permanent arbeidsongeschiktheid. Toetsing gemeentelijk beleid en de vaste gedragslijn. Geen bijzondere omstandigheden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/159
RSV 2013/282

Uitspraak

12/4413 WWB, 12/4414 WWB

Datum uitspraak: 8 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 18 juli 2012, 11/8219 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en[Appellante] (appellante), beiden te[woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Wassenaar (college)

PROCESVERLOOP

Appellanten hebben hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 augustus 2013. Appellanten zijn opgeroepen, maar met bericht niet verschenen. Het college is opgeroepen bij gemachtigde en heeft zich laten vertegenwoordigen door C.M.J. Vos-Kersten.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen jarenlang bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 22 september 2005 is appellante voorlopig voor de duur van twee jaar vrijgesteld van alle arbeidsverplichtingen. Het college heeft na afloop van die periode geen herbeoordeling doen plaatsvinden. Omtrent de vraag of appellant met zijn beperkingen in staat is betaalde arbeid te verrichten is door het college een onderzoek opgedragen aan Consultancy voor Gezondheid & Arbeid (ARPOS). Namens ARPOS is de verzekeringsarts L. Th. Schonagen in zijn rapport van 17 december 2010 tot de conclusie gekomen dat appellant blijvend als volledig arbeidsongeschikt wordt beschouwd en dat hij niet meer in staat wordt geacht loonvormende arbeid dan wel beschutte arbeid te verrichten. Volgens die arts is er ten aanzien van de arbeidsmogelijkheden geen verbetering te verwachten.

1.2.

Bij besluit van 19 januari 2011, voor zover hier van belang, heeft het college besloten tot verdere vrijstelling van de verplichtingen als genoemd in artikel 9, eerste lid en onder a van de WWB van appellanten, ten aanzien van beiden voorlopig voor de duur van twee jaar, tot

1 januari 2013. Hierbij zijn in aanmerking genomen de ongewijzigd gebleven medische situatie van appellante en het van ARPOS ontvangen advies ten aanzien van appellant.

1.3.

Bij besluit van 13 september 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 19 januari 2011, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard. Het college heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat van de door appellanten gewenste permanente ontheffing van de arbeidsverplichtingen, gelet op artikel 9, tweede lid, van de WWB, in samenhang met het bepaalde in artikel 18, eerste lid, van de WWB, geen sprake kan zijn.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep, voor zover hier van belang, ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Wat in hoger beroep is aangevoerd komt er op neer dat de permanente arbeidsongeschiktheid van appellant, zoals deze is vastgesteld door de onder 1.1 genoemde verzekeringsarts van ARPOS, zou moeten leiden tot een ruimere vrijstelling dan de door het college daarvoor gegeven maximale periode van twee jaar, bijvoorbeeld voor een periode van dertig jaar.

4.2.

De rechtbank heeft, onder verwijzing naar de uitspraak van 1 april 2008, ECLI:NL:CRVB:2008:BC8521, terecht geoordeeld dat de WWB geen mogelijkheid biedt voor een permanente ontheffing van genoemde verplichtingen. Dit is niet anders ten aanzien van een ontheffing voor een periode van dertig jaar, aangezien ook dan geen sprake is van een tijdelijke ontheffing als bedoeld in artikel 9, tweede lid, van de WWB.

4.3.

In de Beleidsregels ontheffing arbeidsverplichtingen van de gemeente Wassenaar wordt geen maximale termijn van ontheffing wegens medische omstandigheden genoemd. Het is binnen deze gemeente echter een vaste gedragslijn dat ter zake een termijn van maximaal twee jaar wordt toegepast, overeenkomstig de wel in de beleidsregels opgenomen maximale termijn van ontheffing wegens intensieve zorgtaken of sociale omstandigheden.

4.4.

In de omstandigheden van appellant heeft het college aanleiding gezien de maximale termijn van ontheffing van twee jaar toe te passen. Het college heeft daarmee gehandeld in overeenstemming met de vaste gedragslijn. Het hanteren van een langere termijn acht het college niet wenselijk omdat een medische herbeoordeling na twee jaar de mogelijkheid biedt om binnen een aanvaardbare termijn met de uitkeringsgerechtigde in contact te blijven. Dat periodieke contact acht het college van belang voor de eventuele re-integratie van de betrokkene en met name voor zijn of haar sociale activering. Deze gedragslijn ten aanzien van de bevoegdheid hier aan de orde is niet onredelijk in het licht van de met het bepaalde in artikel 9 van de WWB beoogde doelen en daarmee samenhangende belangen. Hetgeen appellant heeft aangevoerd leidt niet tot het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het college met analoge toepassing van artikel 4:84 van de Algemene wet bestuursrecht van de vaste gedragslijn had moeten afwijken door een langere termijn van ontheffing te hanteren.

4.5.

Uit het vorenoverwogene vloeit voort het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Omdat het hoger beroep niet slaagt volgt uit artikel 8:73, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk is, zodat dit verzoek wordt afgewezen.

6.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2013.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) P.J.M. Crombach

HD