Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1966

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
12-890 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Het enkele feit dat het telefoonnummer van appellante is aangetroffen op een website is onvoldoende om aan te nemen dat appellante seksuele diensten heeft aangeboden en daaruit inkomsten heeft of kan hebben genoten. Uit het onderzoek van het college is immers niet vast komen te staan dat deze advertentie afkomstig is van appellante of op haar betrekking heeft. Geen schending inlichtingenverplichting.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 17
Wet werk en bijstand 54
Wet werk en bijstand 58
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
USZ 2013/367
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/890 WWB

Datum uitspraak: 8 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

1 februari 2012, 11/589 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Gravenhage (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. drs. P. van Wegen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Wegen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

D.L. Swart.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontvangt, met onderbrekingen, vanaf 2003 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Naar aanleiding van een vermoeden dat op naam van appellante een auto stond geregistreerd, heeft een medewerker van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van Den Haag (de Dienst) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Uit dat onderzoek is naar voren gekomen dat op naam van appellante een auto stond geregistreerd, in verband waarmee zij maandelijks een bedrag van € 120,- ontving. Deze zijn met de uitkering verrekend. Verder is uit het onderzoek gebleken dat het door appellante opgegeven mobiele telefoonnummer wordt genoemd in een advertentie waarin iemand seksuele diensten aanbiedt tegen betaling. Appellante is tijdens een gesprek met de Dienst op 16 augustus 2010 geconfronteerd met de bevindingen van het onderzoek. De onderzoeksbevindingen zijn neergelegd in een rapportageformulier deelonderzoek rechtmatigheid van 16 juni 2010, een rapportageformulier confrontatie van 16 augustus 2010 en een rapport van bevindingen van 17 augustus 2010.

1.3.

De onderzoeksresultaten zijn voor het college aanleiding geweest om bij besluit van

18 augustus 2010 de bijstand met ingang van 10 juni 2010 in te trekken en de kosten van bijstand van appellante tot een bedrag van € 1.685,74 terug te vorderen op de grond dat het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld omdat appellante onvoldoende inlichtingen heeft verstrekt en/of onvoldoende medewerking heeft verleend. Uit onderzoek is gebleken dat sprake is of kan zijn van inkomsten, waarover appellante weigert een verklaring af te leggen.

1.4.

Bij besluit van 20 december 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellante tegen het besluit van 18 augustus 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat gedurende de te beoordelen periode aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het college rust.

4.2.

Het college heeft de intrekking van bijstand gebaseerd op gegevens die op het internet zijn aangetroffen tijdens een onderzoek in verband met het vermoeden dat appellante een auto op haar naam had staan. Gebleken is dat het mobiele telefoonnummer van appellante voorkwam in een advertentie waarin tegen betaling seksuele diensten werden aangeboden.

4.3.

Tijdens het gesprek op 16 augustus 2010 is appellante geconfronteerd met deze bevindingen. Haar is de advertentie voorgehouden waarin haar telefoonnummer is genoemd. Zij heeft daarop het volgende verklaard: “Ik wil er geen antwoord op geven. Ik heb hier niks over te verklaren. Misschien heeft u zelf wel deze advertentie op internet gezet. Ja, het is mijn telefoonnummer. Maar bewijst u maar iets. Ik ga naar mijn advocaat en het juridisch loket. Ik heb gewerkt op het werkplein aan de overkant. Ik weet dus echt wel wat mijn rechten en plichten zijn. Ik ken de wet binnenste buiten.” De medewerker van de Dienst heeft vervolgens gezegd dat als appellante hierover niets wil verklaren, hij dan aanneemt dat appellante die advertentie heeft geplaatst en dat haar uitkering dan met ingang van 10 juni 2013 wordt beëindigd. Appellante heeft daarop gezegd dat zij naar haar advocaat gaat en dat zij niets meer te zeggen heeft. Vervolgens zou zij kwaad zijn weggelopen.

4.4.

Uit het gespreksverslag van 16 augustus 2010 blijkt dat appellante heeft verklaard dat zij niets wilde verklaren en dat de medewerker van de Dienst direct daarna heeft gezegd dat de bijstand zou worden ingetrokken met terugwerkende kracht. Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, omdat gelet op de aard daarvan en de uiterst beperkte feitelijke grondslag die haar werd voorgehouden, zij niet tot meer gehouden was te verklaren dan zij deed, terwijl daarna verdere vragen achterwege zijn gebleven. Het enkele feit dat het telefoonnummer van appellante is aangetroffen op een website is onvoldoende om aan te nemen dat appellante seksuele diensten heeft aangeboden en daaruit inkomsten heeft of kan hebben genoten. Uit het onderzoek van het college is immers niet vast komen te staan dat deze advertentie afkomstig is van appellante of op haar betrekking heeft. Evenmin is vastgesteld dat appellante daadwerkelijk is gebeld naar aanleiding van die advertentie en dat zij de bedoelde diensten heeft aangeboden. Daarbij is van belang dat appellante met juistheid heeft betoogd dat de feitelijke beschrijving in de advertentie betreffende de aanbiedster van bedoelde diensten niet overeenkomt met appellantes verschijning. Zij heeft geen groene ogen en ook een andere lengte dan opgegeven in de advertentie.

4.5.

Het had daarom op de weg van het college gelegen om hetzij meer onderzoek te doen alvorens appellante te confronteren met het gegeven dat haar telefoonnummer gelijk was aan het in die advertentie genoemde nummer, dan wel nadere vragen te stellen in plaats van mee te delen dat aangenomen werd dat appellante de advertentie had geplaatst en dat de bijstand zou worden ingetrokken.

4.6.

Uit het voorgaande volgt dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting in het gesprek op 16 augustus 2010 niet heeft geschonden. Het college was dan ook niet bevoegd de bijstand van appellante in te trekken en de kosten van bijstand van haar terug te vorderen. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 17, eerste lid, van de WWB. De Raad ziet tevens aanleiding om zelf te voorzien in de zaak en het besluit van 18 augustus 2010 te herroepen, omdat dat besluit op dezelfde onhoudbare grondslag berust en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze worden begroot op € 944,- in bezwaar, € 944,- in beroep en € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 20 december 2010;

- herroept het besluit van 18 augustus 2010 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt

van het besluit van 20 december 2010;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.832,-;

- bepaalt dat het college het door appellante in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 153,- aan haar vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2013.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) T.A. Meijering

HD