Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1965

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
11-6563 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand (over de maand februari 2011), omdat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van werkzaamheden als snorder en van de oncontroleerbare inkomsten daaruit, waardoor het recht op bijstand over deze maand niet is vast te stellen. Onvoldoende feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6563 WWB

Datum uitspraak: 8 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

28 september 2011, 11/3026 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M. Ketting, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 augustus 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ketting. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. H. Saygi.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant ontvangt vanaf 3 juni 2008 bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.

1.2.

De politie Amsterdam-Amstelland heeft op 15 februari 2011, na een voorafgaande briefing over de werkwijze alsmede de met het Openbaar Ministerie gemaakte afspraken, een actie gehouden om ongeregistreerde taxichauffeurs (snorders) op te sporen. Deze afspraken zijn neergelegd in een sfeerverbaal van 15 februari 2011.

1.3.

In het proces-verbaal van aanhouding van 15 februari 2011 is gerelateerd dat twee aspirant agentes op 15 februari 2011 nabij een bushalte stonden in Amsterdam-Zuidoost. Vervolgens zagen zij de auto, naar later bleek, van appellant aan komen rijden uit de richting van de Gooiseweg gaande in de richting van de Arena. De auto maakte een zogenoemde

U-turn op de Bijlmerdreef. De agentes zagen dat de bestuurder duidelijk oogcontact met hen zocht en dat hij naar hen wenkte met zijn rechterhand. Zij zagen vervolgens dat de bestuurder zijn snelheid minderde, bij de bushalte stopte en achterom naar hen keek. De agentes zijn naar de auto gelopen. De bestuurder liet toe dat zij in zijn auto stapten. De bestuurder heeft de agentes op hun verzoek naar Huntum gebracht. Toen zij uitgestapt waren hoorden zij de bestuurder zeggen: “Wie gaat er betalen?” Een van de verbalisanten vroeg de bestuurder wat hij wilde hebben. Hierop hoorden zij hem 2,50 euro antwoorden. Het was de agentes duidelijk dat de bestuurder 2,50 euro voor de rit wilde hebben. Vervolgens hebben zij hun legitimatie getoond en appellant aangehouden.

1.4.

Na zijn aanhouding is appellant op 15 februari 2011 door verbalisanten verhoord. Tijdens dat verhoor heeft appellant onder meer het volgende verklaard: “Ik ben sinds vrijdag 11 februari de eigenaar van de auto. De auto was eerst van mijn broer”. (…) “Ik zal u vertellen hoe het is gegaan. Ik heb vanochtend wat sollicitatiegesprekken gehad. Vervolgens zag ik twee meiden staan langs de weg. Ik dacht, twee leuke meiden en stopte bij hun. Ik vroeg ze waar ze naar toe moesten. Ik hoorde dat ze zeiden dat ze naar Huntum moesten. Ik heb de dames in laten stappen en ben toen naar Huntum gereden. Bij Huntum heb ik de dames uit laten stappen. Toen heb ik tegen ze gezegd “En wie gaat dat betalen”. Dit was een algemene opmerking. Dit kon van alles betekenen. En dat hoefde helemaal geen geld te zijn. Ik vond het een leuk gesprek met de dames”. Deze verklaring is ook vastgelegd in een proces-verbaal van 15 februari 2011.

1.5.

Naar aanleiding van de op 15 februari 2011 opgemaakte processen-verbaal van de politie Amsterdam-Amstelland heeft de afdeling Handhaving van de Dienst Werk en Inkomen van de gemeente Amsterdam een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende bijstand. In dat kader heeft op 21 februari 2011 een gesprek met appellant plaatsgevonden. De bevindingen zijn neergelegd in het rapport uitkeringsfraude van

28 februari 2011. De bevindingen van het onderzoek waren voor het college aanleiding om de bijstand bij het besluit van 31 maart 2011 in te trekken over de maand februari 2011 en de kosten van bijstand van appellant terug te vorderen tot een bedrag van € 873,71. Het college heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van werkzaamheden als snorder en van de oncontroleerbare inkomsten daaruit, waardoor het recht op bijstand over deze maand niet is vast te stellen.

1.6.

Bij besluit van 10 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 31 maart 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Appellant is op 15 februari 2011 aangehouden in verband met het verrichten van activiteiten als snorder. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat het hier op geld waardeerbare werkzaamheden betreft waarvoor gewoonlijk in het economisch verkeer een vergoeding of beloning kan worden bedongen. Door geen melding te maken van deze activiteiten heeft appellant de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden. Appellant kan dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat het te ver voert om het oppikken van leuke mensen, het liefst vrouwen, gelijk te stellen met op geld waardeerbare werkzaamheden. Appellant heeft immers de aspirant agentes op hun verzoek naar een bestemming vervoerd en het vervoeren van mensen op hun verzoek is in het algemeen op geld waardeerbaar.

4.2.

Omdat appellant de inlichtingenverplichting heeft geschonden is het aan hem om aan de hand van concrete en verifieerbare gegevens aannemelijk te maken dat, als hij de inlichtingenverplichting destijds wel naar behoren was nagekomen, aan hem over de in geding zijnde periode (aanvullende) bijstand was verleend. Appellant heeft er in dat verband op gewezen dat hij de auto pas vanaf 11 februari 2011 in zijn bezit had, zodat hij nooit de gehele maand werkzaamheden verricht kan hebben en dat hij niets heeft verdiend.

4.3.

Uit het proces‑verbaal van 15 februari 2011 blijkt dat de door appellant vervoerde agentes niet hebben betaald voor de rit. Verder bieden de gedingstukken geen aanknopingspunten voor de vaststelling dat appellant vaker werkzaamheden als snorder zou hebben verricht dan op deze dag en dat hij daaruit oncontroleerbare inkomsten zou hebben genoten. Het college heeft dan ook ten onrechte aan de intrekking en terugvordering van bijstand ten grondslag gelegd dat het recht op bijstand over de maand februari 2011 niet kan worden vastgesteld.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat een voldoende feitelijke grondslag ontbrak voor de intrekking en terugvordering van de bijstand van appellant over de maand februari 2011. Aangezien de rechtbank dit niet heeft onderkend, komt de aangevallen uitspraak voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaren en dat besluit vernietigen wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De Raad ziet tevens aanleiding om het besluit van 31 maart 2011 te herroepen, omdat dat besluit op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berust en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld. In dat verband is van belang dat het college ter zitting heeft gemeld dat de Maatregelenverordening van de gemeente Amsterdam geen mogelijkheid biedt om een maatregel op te leggen in verband met deze schending van de inlichtingenverplichting.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 944,- in beroep en € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 10 mei 2011;

- herroept het besluit van 31 maart 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van

het besluit van 10 mei 2011;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.888,-;

- bepaalt dat het college het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 152,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2013.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) T.A. Meijering

HD