Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1963

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
08-10-2013
Datum publicatie
09-10-2013
Zaaknummer
13-3266 BESLU
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Overschrijding redeljke termijn in rechterlijke fase.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/3266 BESLU

Datum uitspraak: 8 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade

Partijen:

[Verzoekster] te[woonplaats] (verzoekster)

de Staat der Nederlanden (de Minister van Veiligheid en Justitie) (Staat)

PROCESVERLOOP

Namens verzoekster heeft mr. S.V.A.Y. Dassen-Vranken hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 21 december 2009, 09/757, in het geding tussen verzoekster en het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college).

Bij uitspraak van 3 juli 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BV1892) heeft de Raad uitspraak gedaan op dit hoger beroep. Daarbij heeft de Raad, voor zover hier van belang, bepaald dat het onderzoek onder nummer 13/3266 BESLU wordt heropend ter voorbereiding van een nadere uitspraak over gevraagde immateriële schadevergoeding in verband met de mogelijke overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM), en heeft de Raad tevens de Staat aangemerkt als partij in die procedure.

Bij brief van 14 augustus 2013 heeft drs. B.E.J. Klein Schiphorst, directeur Financiën, Bedrijfsvoering en Toezicht bij de Raad voor de rechtspraak, namens de Staat medegedeeld dat de Raad voor de rechtspraak zich refereert aan het oordeel van de Raad.

Bij brief van 19 augustus 2013 heeft verzoekster daarop gereageerd.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.

In zijn uitspraak van 3 juli 2013 heeft de Raad overwogen dat vanaf het moment van ontvangst door het college van het bezwaarschrift op 12 februari 2009 tot die uitspraak vier jaar en bijna vijf maanden zijn verstreken. In die uitspraak heeft de Raad voorts vastgesteld dat het vermoeden bestaat dat in de rechterlijke fase de redelijke termijn is overschreden.

2.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

2.1.

De vraag of de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn van betekenis de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van verzoeker gedurende de hele procesgang en de aard van het bestreden besluit en het daardoor getroffen belang van verzoeker.

2.2.

De redelijke termijn voor een procedure in drie instanties in zaken zoals deze is in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. Daarbij geldt dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. De in 2.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingsduren gerechtvaardigd te achten.

2.3.

De Raad heeft noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van verzoekster aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen.

2.4.

Dit betekent dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase met bijna vijf maanden is overschreden. Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH1009) is, in beginsel, een vergoeding van immateriële schade gepast van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn in de procedure als geheel is overschreden. Hieruit volgt dat de Staat wordt veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding van € 500,-.

3.

De Raad ziet aanleiding om de Staat te veroordelen in de proceskosten van verzoekster in deze schadeprocedure. Deze kosten worden begroot op € 236,- (0,5 punt voor het indienen van de reactie van 19 augustus 2013) voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- veroordeelt de Staat tot betaling van een schadevergoeding aan verzoekster van € 500,-;

- veroordeelt de Staat in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 236,-.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 8 oktober 2013.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) M. Sahin

HD