Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1933

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
04-10-2013
Zaaknummer
12-339 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schending inlichtingenverplichting. Gezamenlijke huishouding. Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit de aan appellante verleende bijstand ingetrokken. Tevens heeft het college de gemaakte kosten van bijstand en een op grond van Kortingsregeling 2010 aan appellante toegekende bijdrage van appellante teruggevorderd. Bij hetzelfde besluit heeft het college dit bedrag mede van appellant teruggevorderd. Appellanten worden niet gevolgd in hun stelling dat zij niet aan de afgelegde verklaringen mogen worden gehouden, omdat deze onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd. Appellanten voorzagen in de te beoordelen periode in zorg voor elkaar. Nu het hoofdverblijf niet in geschil is, is gegeven dat appellanten in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/173
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/339 WWB, 12/340 WWB

Datum uitspraak: 1 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

7 december 2011, 11/956 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] (appellante) en[Appellant] (appellant) te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Heerlen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. ing. J.G. van Ek, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2013. Appellanten zijn in persoon verschenen, bijgestaan door mr. P.J.C. Bolton. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.J.A. Bertholet.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante is met ingang van 18 september 2006 bijstand verleend ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder. Zij staat sinds

1 augustus 2001 ingeschreven op het adres [adres 1] te[woonplaats] (uitkeringsadres). Appellant staat sinds 24 januari 2008 ingeschreven op het adres [adres 2] te [woonplaats]. Naar aanleiding van een melding dat appellante samenwoont met appellant heeft het Bureau Handhaving en Debiteuren van de Afdeling Werkgelegenheid en Sociale Zaken van de gemeente Heerlen (sociale recherche) een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn bij het uitkeringsadres van 8 februari tot en met 8 oktober 2010 waarnemingen verricht, is op 14 oktober 2010 een huisbezoek afgelegd aan het uitkeringsadres, en zijn appellanten tijdens het huisbezoek en op 18 oktober 2010 verhoord. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 19 oktober 2010.

1.2.

Naar aanleiding van de onderzoeksresultaten heeft het college bij besluit van 29 oktober 2010 de aan appellante verleende bijstand met ingang van 14 oktober 2009 ingetrokken. Tevens heeft het college de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 14 oktober 2009 tot en met 30 september 2010 en een op grond van de in de uitvoering van de WWB vastgestelde Kortingsregeling 2010 aan appellante toegekende bijdrage van appellante teruggevorderd tot een bedrag van in totaal € 13.603,80. Bij hetzelfde besluit heeft het college dit bedrag mede van appellant teruggevorderd.

1.3.

Bij besluit van 4 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren van appellanten ongegrond verklaard. Dat besluit berust op de grond dat appellanten vanaf

14 oktober 2009 met elkaar een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het uitkeringsadres, dat appellante, door hiervan geen mededeling te doen, de op haar rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen en dat appellante als gevolg daarvan ten onrechte bijstand heeft ontvangen naar de norm voor een alleenstaande ouder.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe onder meer, samengevat, het volgende overwogen. In dit geval was er een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek aan het uitkeringsadres. Aan het vereiste van “informed consent” is niet voldaan, zodat ten aanzien van appellante sprake was van een inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. In het licht van de hier aan de orde zijnde feiten en omstandigheden kan niet worden gezegd dat het gebruikmaken door het college van hetgeen tijdens het huisbezoek is verklaard zozeer indruist tegen hetgeen van een behoorlijk handelend bestuursorgaan mag worden verwacht, dat dit gebruik onder alle omstandigheden ontoelaatbaar moet worden geacht.

3.

Appellanten hebben in hoger beroep, samengevat, het volgende tegen de aangevallen uitspraak aangevoerd. Bij het afleggen van het huisbezoek is niet voldaan aan de eis van “informed consent”. Appellanten waren volledig overrompeld door het huisbezoek en zijn niet naar behoren en volledig geïnformeerd over het doel van het huisbezoek. Hun verklaringen die zij tijdens het huisbezoek hebben afgelegd dienen om die reden als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing te blijven. Verder hebben appellanten hun verklaringen tijdens het huisbezoek onder druk afgelegd en zijn hen daarbij woorden in de mond gelegd. De op die verklaringen gebaseerde conclusie van het college dat sprake is van wederzijdse zorg is daarom niet juist. Aan het criterium van wederzijdse zorg is niet voldaan, zodat geen sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Er is namelijk geen sprake geweest van financiële verstrengeling tussen appellanten, terwijl appellanten evenmin zorg hebben gedragen voor elkaar door middel van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De te beoordelen periode loopt van 14 oktober 2009, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot en met 29 oktober 2010, de datum van het besluit waarbij de bijstand is ingetrokken. Niet in geschil is dat appellanten in de te beoordelen periode hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, zodat voor het bestaan van een gezamenlijke huishouding in die periode beslissend is of sprake was van wederzijdse zorg.

bruikbaarheid verklaringen huisbezoek

4.2.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank over, kort gezegd, de gevolgen van het ontbreken van een “informed consent” en de overwegingen die tot dat oordeel hebben geleid. Hij voegt daaraan nog toe dat van belang is dat, indien appellante naar behoren zou zijn geïnformeerd en vervolgens zou hebben geweigerd aan het huisbezoek mee te werken, die weigering tot intrekking van de bijstand zou hebben kunnen leiden.

4.3.

Appellanten worden niet gevolgd in hun stelling dat zij niet aan de op 14 oktober 2010 afgelegde verklaringen mogen worden gehouden, omdat deze onder ontoelaatbare druk zijn afgelegd. Aannemelijk is dat appellanten enige druk hebben ervaren, maar er zijn geen aanknopingspunten om aan te nemen dat zij hun verklaringen niet in vrijheid dan wel onder ontoelaatbare druk hebben afgelegd. Hierbij is van belang dat appellanten hun verklaringen na lezing hebben ondertekend.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat de beroepsgrond dat, kort gezegd, de verklaringen die appellanten tijdens het huisbezoek hebben afgelegd buiten beschouwing moeten worden gelaten niet slaagt.

wederzijdse zorg

4.5.

Wederzijdse zorg kan blijken uit een bepaalde mate van financiële verstrengeling tussen de betrokkenen die verder gaat dan het uitsluitend delen van de woonlasten en hiermee samenhangende lasten. Indien van een zodanige verstrengeling niet of slechts in geringe mate sprake is, kunnen ook andere feiten en omstandigheden voldoende zijn om aan te nemen dat de betrokkenen in zorg voor elkaar voorzien. Een afweging van alle ten aanzien van betrokkenen gebleken feiten en omstandigheden, die niet van subjectieve aard zijn, zal bepalend zijn voor het antwoord op de vraag of aan het zorgcriterium in een concreet geval is voldaan.

4.6.

Appellante heeft op 14 oktober 2010 tegenover de sociale recherche verklaard dat appellant bij haar eet en dat zij samen boodschappen doen. Appellant heeft dit, zo blijkt uit zijn verklaring van 14 oktober 2010, ook verklaard. Appellant heeft verder verklaard dat hij zijn was bij appellante doet en dat zij beiden gebruik maken van zijn auto. Dat appellante gebruik maakte van zijn auto blijkt tevens uit de waarnemingen. Zo is waargenomen dat appellante gebruik maakte van de auto van appellant om haar kinderen te vervoeren, al dan niet van en naar school, en om appellant naar zijn werk te brengen of van zijn werk op te halen. Op 18 oktober 2010 hebben appellanten tegenover de sociale recherche verklaringen afgelegd op het kantoor van het Bureau Handhaving en Debiteuren. Daaruit blijkt dat zij hun eerdere verklaringen wat hebben afgezwakt, maar alleen voor zover het gaat om het hebben van een hoofdverblijf op het uitkeringsadres. Dat aan dit criterium is voldaan, is in hoger beroep niet meer in geding. Wat de wederzijdse zorg betreft heeft appellante toen verklaard dat appellant vaker dan voorheen bij haar verbleef om haar bescherming te bieden tegen haar ex-partner die haar stalkte. Dat is ook aan te merken als een element van zorg van appellant voor appellante, evenals het feit dat appellante haar gehele woning beschikbaar heeft gesteld aan appellant. Tevens is uit die verklaring en de overige beschikbare gegevens gebleken dat appellanten over en weer zorgden voor hun kinderen uit een vorige relatie. Zij hadden de dagelijkse zorg voor de twee kinderen van appellante en incidenteel de zorg voor de zoon van appellant, die eenmaal in de twee weken een weekend bij appellant verbleef. Ten slotte heeft appellante nog verklaard en ter zitting bevestigd dat zij kookte voor appellant en zijn zoon.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat appellanten in de hier te beoordelen periode voorzagen in zorg voor elkaar. Dit betekent dat de beroepsgrond dat in die periode niet is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg niet slaagt. Daarmee is gegeven dat appellanten in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden.

4.8.

Uit 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en W.F. Claessens en A.M. Overbeeke als leden, in tegenwoordigheid van T.A. Meijering als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2013.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) T.A. Meijering

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over gezamenlijke huishouding.

HD