Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1932

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
03-10-2013
Zaaknummer
12-3309 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft het Uwv appellant meegedeeld dat het ouderdomspensioen met terugwerkende kracht in mindering wordt gebracht op appellant zijn WW-uitkering. Het beleid is in het geval van appellant op consistente wijze toegepast. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hij per 1 maart 2008 tot een te hoog bedrag WW-uitkering ontving. Het Uwv diende het prepensioen met toepassing van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW per 1 maart 2008 in mindering te brengen op de WW-uitkering van appellant. Het bestreden besluit berust niet op de juiste wettelijke grondslag en wordt daarom vernietigd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PJ 2013/179
RSV 2013/295
TRA 2014/18 met annotatie van R.H. van het Kaar
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3309 WW

Datum uitspraak: 2 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg van

26 april 2012, 10/964 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. drs. E.C. Spiering hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2013. Appellant en zijn gemachtigde zijn verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is tot 1 november 2005 in dienst geweest van [naam werkgeefster] (werkgeefster). In verband met nadien ingetreden werkloosheid heeft het Uwv appellant met ingang van
1 november 2005 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend.

1.2. Op 18 oktober 2005 heeft werkgeefster een brief verstuurd aan haar assuradeur Tijmen Kroes Assurantiën (assuradeur). Daarin is onder meer het volgende vermeld:

“Op verzoek van de heer [naam appellant], geboortedatum 08-03-1946, verzoeken wij u hierbij, in afwijking van de Pensioenregeling die bij Supertape geldend is, het opgebouwde pre-pensioen volledig tot uitkering te laten komen vanaf het moment dat de heer [naam appellant] zijn pensioenleeftijd heeft bereikt. Bij het bereiken van zijn 62e leeftijd zal hij dus geen uitkering in het kader van de pre-pensioenregeling ontvangen, dit opgebouwde kapitaal wenst de heer [naam appellant] volledig door te schuiven naar oudedagspensioen.

Vertrouwende u met bijgaande informatie voldoende te hebben geïnformeerd en verzoeken u dit met Nationale Nederlanden op de juiste wijze in gang zetten.”

1.3. Appellant heeft naar aanleiding van de brief van 18 oktober 2005 niets vernomen van Nationale Nederlanden en heeft evenmin met ingang van maart 2008, toen hij 62 jaar was geworden, termijnuitkeringen van Nationale Nederlanden ontvangen.

1.4. Bij brief van 8 april 2010 heeft Nationale Nederlanden aan appellant een polisoverzicht verstrekt en hem verzocht een formulier in te vullen en te retourneren in verband met een per 1 maart 2008 beschikbaar gekomen kapitaal uit hoofde van zijn voormalige dienstbetrekking bij werkgeefster, welk kapitaal conform het reglement dient te worden aangewend voor de aankoop van een tijdelijk ouderdomspensioen op zijn leven. Appellant heeft aan dat verzoek voldaan. Uit een bij de brief van 8 april 2010 gevoegd polisoverzicht blijkt dat de ingangsdatum van het pensioen 1 maart 2008 is, dat het bedrag van de maandelijkse pensioentermijn € 1.653,75 is, dat de uitkeringsdatum van de eerste termijn 1 juni 2010 is en dat Nationale Nederlanden een nabetaling verschuldigd is over de periode van 1 maart 2008 tot 1 mei 2010 van € 41.343,75. Appellant heeft het Uwv op 13 april 2010 in kennis gesteld van de inhoud van de brief van 8 april 2010 van Nationale Nederlanden.

1.5. Bij besluit van 31 mei 2010 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat het ouderdomspensioen van Nationale Nederlanden met terugwerkende kracht tot 1 maart 2008 in mindering wordt gebracht op zijn WW-uitkering. Bij besluit van 1 juni 2010 heeft het Uwv een bedrag van € 38.875,13 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering over de periode van 1 maart 2008 tot en met 21 maart 2010 van appellant teruggevorderd.

1.6. Bij besluit van 19 oktober 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de besluiten van 31 mei 2010 en 1 juni 2010 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Uwv ten grondslag gelegd dat in verband met het toegekende pensioen terecht herziening van de WW-uitkering met terugwerkende kracht tot 1 maart 2008 heeft plaatsgevonden, zodat het Uwv verplicht was de onverschuldigd betaalde WW-uitkering terug te vorderen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellant gesteld dat het hem pas na ontvangst van de brief van Nationale Nederlanden in april 2010 redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij teveel dan wel ten onrechte een WW-uitkering ontving, zodat zijn WW-uitkering op grond van het rechtszekerheidsbeginsel dan wel de Beleidsregels schorsing, opschorting, intrekking en herziening uitkeringen 2006 (beleid) niet met terugwerkende kracht tot 1 maart 2008 kon worden herzien. Appellant heeft betoogd dat uitstel van het prepensioen mogelijk was, zodat hij mocht veronderstellen dat zijn verzoek om uitstel kon worden gehonoreerd en subjectief van mening was dat zijn verzoek was gehonoreerd door Nationale Nederlanden.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor een weergave van het toepasselijk wettelijk kader wordt verwezen naar onderdeel 3 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Niet in geschil is dat het prepensioen dat appellant met ingang van 1 maart 2008 ontving op grond van artikel 1, eerste lid, aanhef en onder b, van de regeling Gelijkstelling van uitkeringen met ouderdomspensioen, moet worden gelijkgesteld met een ouderdomspensioen. Dit betekent dat het Uwv dit prepensioen in beginsel met toepassing van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW vanaf 1 maart 2008 geheel in mindering moet brengen op de WW-uitkering van appellant.

4.3.

De bewoordingen van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW staan er niet aan in de weg dat dit artikel met terugwerkende kracht wordt toegepast. Ook doel en strekking van dit artikel staan daaraan niet in de weg. Dit laat evenwel onverlet dat de toepassing van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW onder omstandigheden in strijd kan zijn met het beginsel van rechtszekerheid, dan wel met (andere) ongeschreven rechtsregels of een algemeen rechtsbeginsel. Het in 3 genoemde beleid is niet van toepassing op artikel 34 van de WW. Uit de stukken kan echter worden afgeleid dat het Uwv in het kader van de beantwoording van de vraag of het in april 2010 toegekende prepensioen met terugwerkende kracht gevolgen kon hebben voor appellant aansluiting heeft gezocht bij dit beleid, en in het bijzonder bij artikel 3, derde lid daarvan.

4.4.

Artikel 3, derde lid, van het beleid bepaalt dat indien het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt, de uitkering met terugwerkende kracht wordt ingetrokken of herzien tot en met de dag waarop het de verzekerde redelijkerwijs duidelijk was of duidelijk kon zijn dat hem ten onrechte of tot een te hoog bedrag uitkering werd verstrekt.



4.5. Het beleid dient te worden aangemerkt als buitenwettelijk, begunstigend beleid. Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld CRvB 19 augustus 2011, LJN BR5375) dient een dergelijk beleid door de bestuursrechter terughoudend te worden getoetst. Dit houdt in dat de aanwezigheid en de toepassing van dat beleid als een gegeven wordt beschouwd met dien verstande dat wordt getoetst of een zodanig beleid op consistente wijze is toegepast.



4.6. Het beleid is in het geval van appellant op consistente wijze toegepast. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat hij per 1 maart 2008 tot een te hoog bedrag

WW-uitkering ontving. In dat kader is van belang dat werkgeefster haar assuradeur weliswaar bij brief van 18 oktober 2005 heeft verzocht het prepensioen van appellant (eerst) bij het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van 65 jaar uit te laten keren, met het verzoek dit bij Nationale Nederlanden in gang te zetten, maar dat Nationale Nederlanden tot de brief van

8 april 2010 niet op dat verzoek had gereageerd. Ter zitting heeft appellant verklaard dat hij wist dat als Nationale Nederlanden niet aan het in de brief van werkgeefster verwoorde verzoek zou voldoen, het prepensioen conform de bij werkgeefster geldende pensioenregeling per 1 maart 2008 tot uitkering zou komen en dat hij tevens wist dat dit prepensioen dan in mindering gebracht zou worden op zijn WW-uitkering. Het had, gelet op het voor appellant onmiskenbaar grote belang, op zijn weg gelegen tijdig navraag te doen bij Nationale Nederlanden naar de beslissing op het verzoek van 18 oktober 2005. Tegen deze achtergrond kon appellant aan het per 1 maart 2008 uitblijven van termijnuitkeringen van Nationale Nederlanden niet het gerechtvaardigd vertrouwen ontlenen dat Nationale Nederlanden positief op het verzoek van zijn werkgeefster had beslist.

4.7.

Uit 4.6 volgt dat het Uwv het prepensioen met toepassing van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW per 1 maart 2008 in mindering diende te brengen op de WW-uitkering van appellant.

4.8.

Bij het bestreden besluit heeft het Uwv het prepensioen evenwel niet met toepassing van artikel 34, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW in mindering gebracht op de WW-uitkering, maar de WW-uitkering met toepassing van artikel 22a van de WW herzien. Dit betekent dat het bestreden besluit niet op een juiste wettelijke grondslag berust. Gelet hierop dient de aangevallen uitspraak, waarbij het bestreden besluit in stand is gelaten, vernietigd te worden. De Raad zal het beroep gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en, gelet op hetgeen onder 4.6 en 4.7 is overwogen, de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit in stand laten.

5.

Er is aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. De kosten voor verleende rechtsbijstand worden begroot op € 944,- in beroep en op € 944,- in hoger beroep, totaal € 1.888,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 19 oktober 2010;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.888,-;

- bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M. Greebe en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2013.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) K.E. Haan

EH