Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1928

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
03-10-2013
Zaaknummer
12-920 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij een viertal besluiten heeft appellant de WW-uitkering van betrokkene over meerdere perioden herzien vanwege teveel genoten vakantiedagen en het verrichten van werkzaamheden. Appellant heeft de volgens hem teveel betaalde WW-uitkering van betrokkene teruggevorderd. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit deels vernietigd. De rechtbank heeft het bestreden besluit in zoverre herroepen en zij heeft de boete vastgesteld op 10% van het terugvorderingsbedrag over de nog resterende perioden. Hiertoe heeft de rechtbank kort gezegd geoordeeld dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene niet beschikbaar is geweest voor de arbeidsmarkt. Het hoger beroep is beperkt tot de vraag of betrokkene in de periode van 1 maart 2010 tot en met 3 oktober 2010 beschikbaar was om arbeid te aanvaarden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW. Niet is komen vast te staan dat betrokkene niet beschikbaar was om arbeid te verrichten.

Wetsverwijzingen
Werkloosheidswet
Werkloosheidswet 16
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/297
USZ 2013/325 met annotatie van Red.
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/920 WW

Datum uitspraak: 2 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

23 december 2011, 11/1493 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. L. Demmer, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben vervolgens over en weer op elkaars standpunten gereageerd en mr. Demmer heeft nog nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.A. Put. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Demmer.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is met ingang van 1 juli 2009 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW).

1.2. Bij een drietal besluiten van 26 oktober 2010 en bij besluit van 4 november 2010 heeft appellant de WW-uitkering van betrokkene over meerdere perioden herzien vanwege teveel genoten vakantiedagen en het verrichten van werkzaamheden. Bij het besluit van 4 november 2010 is de WW-uitkering van betrokkene ook herzien in verband met het werken als oppas voor twee dagen per week in de periode van 1 maart 2010 tot en met 3 oktober 2010 waardoor zij in deze periode niet beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. Bij genoemd besluit van

4 november 2010 heeft appellant tevens de volgens hem teveel betaalde WW-uitkering ten bedrage van in totaal € 9.105,59 van betrokkene teruggevorderd. Bij besluit van

18 november 2010 heeft appellant betrokkene een boete van € 920,- opgelegd.

1.3. Tegen deze besluiten heeft betrokkene bezwaar gemaakt. Bij besluit van 4 april 2011 (bestreden besluit) heeft appellant het bezwaar tegen deze besluiten ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd voor zover dit zag op de herziening van de WW-uitkering over de periode van 1 maart 2010 tot en met 3 oktober 2010, op de terugvordering van de uitbetaalde WW-uitkering over deze periode alsmede op het bedrag van de boete dat daarop betrekking heeft. De besluiten van 4 november 2010 en 18 november 2010 heeft de rechtbank in zoverre herroepen en zij heeft de boete vastgesteld op 10% van het terugvorderingsbedrag over de nog resterende perioden. Hiertoe heeft de rechtbank kort gezegd geoordeeld dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene in de periode van 1 maart 2010 tot en met 3 oktober 2010 niet beschikbaar is geweest voor de arbeidsmarkt.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zich gekeerd tegen dit oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak. Volgens appellant was betrokkene in genoemde periode niet beschikbaar om arbeid te aanvaarden en blijkt dit uit het gesprek dat betrokkene heeft gehad met inspecteur [naam inspecteur] op 31 augustus 2010. Bij deze gelegenheid heeft betrokkene verklaard dat zij sinds eind februari of begin maart 2010 op twee dagen per week, te weten iedere dinsdag en woensdag, de hele dag op een kleinkind van haar partner paste. Het gaat hier om een eerste verklaring die tegenover een bevoegde opsporingsambtenaar is afgelegd en ondertekend. Volgens vaste rechtspraak mag betrokkene hieraan worden gehouden.

3.2.

Betrokkene betwist niet dat zij gedurende twee dagen per week oppaswerkzaamheden heeft verricht, maar stelt zich op het standpunt dat deze werkzaamheden niet hebben geleid tot een niet-beschikbaar zijn voor de arbeidsmarkt. Het oppassen heeft haar er niet van weerhouden om te solliciteren en sollicitatiegesprekken te voeren. Afspraken met appellant of andere arbeidsgerelateerde zaken konden gewoon op oppasdagen worden gepland en werden ook op die dagen gepland. De ouders van het oppaskind zorgden dan voor alternatieve opvang.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor een weergave van het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar overweging 2.2 van de aangevallen uitspraak.

4.2.

Het hoger beroep is beperkt tot de vraag of betrokkene in de periode van 1 maart 2010 tot en met 3 oktober 2010 beschikbaar was om arbeid te aanvaarden als bedoeld in artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak kan aan het begrip “beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden” geen normering worden ontleend met betrekking tot de omvang van die beschikbaarheid of met betrekking tot de plaats en de aard van die arbeid op de arbeidsmarkt. Het begrip geeft een feitelijke toestand weer waarin de werknemer verkeert. Indien er overigens geen feiten en omstandigheden vallen aan te wijzen waaruit zonder meer de conclusie kan worden getrokken dat een werknemer niet beschikbaar is om arbeid te aanvaarden en appellant desondanks op grond van houding en gedrag van de betrokken werknemer tot een niet-beschikbaar zijn om arbeid te aanvaarden wenst te concluderen, zal in zo’n geval ondubbelzinnig vast moeten staan dat de betrokken werknemer door houding en gedrag te kennen heeft gegeven dat hij zich niet voor arbeid op de arbeidsmarkt beschikbaar stelt, noch wil stellen (zie bijvoorbeeld CRvB 13 december 2006, LJN AZ5253).

4.4.

Met de omstandigheid, dat betrokkene in genoemde periode gedurende twee dagen per week oppaswerkzaamheden verrichtte, staat nog niet ondubbelzinnig vast dat zij door houding en gedrag te kennen heeft gegeven dat zij zich niet voor arbeid op de arbeidsmarkt beschikbaar heeft gesteld of heeft willen stellen. Aan het standpunt van appellant ligt mede de onjuiste uitleg van artikel 16, eerste lid, aanhef en onder b, van de WW ten grondslag dat het verrichten van (onbetaalde) werkzaamheden met zich brengt dat de beschikbaarheid in de zin van dat artikellid afneemt of niet langer bestaat. Voor zover er al twijfel kon bestaan over de beschikbaarheid van betrokkene, volgt die twijfel niet uit de ondertekende verklaring uit het eerste gesprek op 31 augustus 2010 waarin zij heeft verklaard dat zij aan het gezin duidelijk had gemaakt dat, zodra zij weer ging werken, zij niet meer kon oppassen. Tussen partijen is verder niet in geschil dat betrokkene heeft voldaan aan haar sollicitatieplicht zodat daaruit al evenmin volgt dat betrokkene niet (langer) beschikbaar was om arbeid te aanvaarden. Zodoende is niet komen vast te staan dat betrokkene niet beschikbaar was om arbeid te verrichten.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt.

5.

Er is aanleiding om appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 944,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand. De door de rechtbank uitgesproken veroordeling in de proceskosten blijft in stand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 944,-;

  • -

    bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 454,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2013.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) D.E.P.M. Bary

NW