Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1927

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
03-10-2013
Zaaknummer
12-2414 WW
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2012:1156, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft het Uwv de aanvraag van appellante om een WW-uitkering afgewezen. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de extra gewerkte uren mee dienen te worden meegenomen bij het bepalen van het gemiddeld aantal arbeidsuren per week als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WW. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid. De rechtbank heeft terecht overwogen dat appellante niet op grond van de arbeidsovereenkomst of een CAO verplicht was om overwerk te verrichten, terwijl overwerk ook niet inherent was aan de functie. De rechtbank heeft voorts terecht geoordeeld dat de meeruren geen onderdeel zijn gaan uitmaken van de bestaande arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/299
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2414 WW

Datum uitspraak: 2 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

8 maart 2012, 11/1140 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2013. Appellante is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.K. Dekker.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is met ingang van 1 januari 2009 op grond van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd werkzaam als docent/inburgeringscoach. Deze werkzaamheden heeft zij eerst in dienst van [naam werkgever 1] verricht en vanaf 1 januari 2010 in dienst van [naam werkgever 2](werkgever).

1.2. Ingevolge artikel 2.1 van de tussen appellante en werkgever geldende arbeidsovereenkomst bedraagt de arbeidsduur zes uren per week, tenzij nadrukkelijk anders schriftelijk is overeengekomen. Artikel 2.2 bepaalt dat overwerk uitsluitend geschiedt op verzoek van werkgever, dat uitbetaling van overuren geschiedt op basis van het rooster per maand achteraf en dat deze kunnen worden gecompenseerd met eventuele gemaakte onderuren ontstaan door lesuitval of vervroegde beëindiging van lessen.

1.3. Nadat één van de grootste opdrachtgevers van werkgever zich had teruggetrokken, heeft appellante op 3 september 2010 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) aangevraagd ter zake van het verlies van de extra uren die zij werkte. In deze aanvraag heeft zij vermeld:

“mijn situatie is ingewikkeld, ik heb namelijk een vast contract van 6 uur en alles wat ik ernaast werk geldt als overuren omdat er per project wordt gewerkt en mijn werkgever mij geen vast contract voor een hoger aantal uren kan geven”.

Appellant heeft toegelicht dat zij door de overuren, gemiddeld zo’n 25 uur per week werkte.

2.1. Bij besluit van 24 september 2010 heeft het Uwv de aanvraag van appellante om een WW-uitkering met ingang van 1 september 2010 afgewezen.

2.2. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 28 januari 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Volgens het Uwv dienen de uren, die appellante meer heeft gewerkt dan de arbeidstijd bepaald in haar arbeidsovereenkomst, te worden aangemerkt als overuren. Op grond van artikel 4a van de Regeling gelijkstelling niet-gewerkte uren met gewerkte uren (Regeling) mogen uren waarin overwerk is verricht niet worden meegenomen bij de vaststelling van het gemiddeld aantal arbeidsuren.

3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellante tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard. Hiertoe heeft de rechtbank overwogen dat appellante niet op grond van de arbeidsovereenkomst of een CAO verplicht was om overwerk te verrichten, terwijl overwerk ook niet inherent was aan de functie. De rechtbank heeft voorts geoordeeld dat de meeruren geen onderdeel zijn gaan uitmaken van de bestaande arbeidsovereenkomst. Bestendige praktijk van de werkgever was juist om appelante in wisselende mate in te zetten. Het aantal uren waarvoor appellante werd ingezet, varieerde beduidend; appellante werkte in de vakanties veel minder uren.

4.

In hoger beroep heeft appellante haar beroepsgronden in essentie herhaald en - kort samengevat - aangevoerd dat zij structureel meer uren heeft gemaakt en dat er een bestendige praktijk was ontstaan waardoor de arbeidsovereenkomst feitelijk een grotere omvang heeft gekregen. Voorts heeft appellante zich op het standpunt gesteld dat de meer gewerkte uren inherent waren aan de functie, zodat deze uren op grond van artikel 4a van de Regeling niet als overwerk hebben te gelden.

5.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.1. Ingevolge artikel 16, eerste lid, van de WW is werkloos de werknemer die:

a. ten minste de helft van zijn arbeidsuren per kalenderweek heeft verloren, alsmede het recht op onverminderde loondoorbetaling van zijn loon over die uren; en

b. beschikbaar is om arbeid te aanvaarden.

5.1.2. In artikel 16, tweede lid, van de WW is bepaald dat onder de in het eerste lid bedoelde arbeidsuren wordt verstaan het aantal uren waarin de werknemer in de 26 weken voorafgaande aan het intreden van zijn verlies van arbeidsuren gemiddeld per week als werknemer arbeid heeft verricht.

5.1.3. Ingevolge artikel 4a, eerste lid, van de Regeling worden voor de berekening van het aantal arbeidsuren, bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WW buiten beschouwing gelaten de uren waarin de werknemer overwerk heeft verricht. Artikel 4a, tweede lid, van de Regeling luidde ten tijde hier van belang:

“Onder overwerk als bedoeld in het eerste lid, wordt niet verstaan de uren waarin:

a. de werknemer krachtens arbeidsovereenkomst of CAO verplicht was arbeid te verrichten en die uren zonder die verplichting als overuren zouden moeten worden aangemerkt; of

b. de werknemer meer dan de normale arbeidstijd arbeid heeft verricht en die uren inherent zijn aan de functie.”

5.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellante meer dan de normale arbeidsduur van zes uren per week, zoals vermeld in de arbeidsovereenkomst, heeft verricht. De vraag die partijen verdeeld houdt, is of de extra gewerkte uren mee dienen te worden meegenomen bij het bepalen van het gemiddeld aantal arbeidsuren per week als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de WW.

5.3.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak en de overwegingen die tot dit oordeel hebben geleid, maakt deze overwegingen tot de zijne en voegt hieraan nog het volgende toe.

5.4.

Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat er sprake was van een bestendige praktijk, waardoor de arbeidsovereenkomst qua arbeidsduur een grotere omvang heeft gekregen. Voorop staat dat nimmer iets anders schriftelijk is vastgelegd dan dat de arbeidsuur zes uren per week was en ook van mondeling gemaakte afspraken over urenuitbreiding is niet gebleken. In tegendeel, uit de aanvraag van appellante blijkt juist dat werkgever appellante geen vast contract voor een hoger aantal uren wilde geven. Van een bestendige praktijk als door appellante bedoeld kan vervolgens slechts sprake zijn indien werkgever haar op grond van de ontstane praktijk kon verplichten tot het langdurig en structureel verrichten van overwerk op de wijze en in de omvang waarin deze feitelijk is verricht (zie CRvB 2 februari 2011,

LJN BP3513). Daarvoor zijn in het geval van appellante geen aanknopingspunten. Niet is gebleken van door appellante langdurig en structureel verrichte overuren. Van een vast arbeidspatroon was immers geen sprake; het aantal gewerkte uren varieerde. Zo werkte appellante in de vakantieperioden niet of (veel) minder. De extra gewerkte uren werden, blijkens de salarisstroken, ook steeds als ″meeruren (boven contract)″ aan appellante vergoed. Dat appellante zich verplicht voelde om over te werken, doet aan het voorgaande niet af.

5.5.

Evenmin heeft appellante aangetoond dat de extra gewerkte uren inherent zijn aan de door haar verrichte functie. Het verrichten van extra uren was vooral ingegeven door organisatorische en bedrijfseconomische redenen van werkgever en niet noodzakelijkerwijs verbonden door de functie van docent/inburgeringscoach. Daarbij was het eerder haar eigen wens om meer dan zes uren per week te werken dan dat dit voortvloeide uit de aard van de functie die zij vervulde.

5.6.

Het voorgaande betekent dat de door appellante gewerkte extra uren met toepassing van artikel 4a van de Regeling terecht zijn aangemerkt als overuren en om die reden eveneens terecht niet zijn betrokken in de bepaling van het gemiddeld aantal arbeidsuren per week. Hieruit volgt dat appellante geen voor de toepassing van artikel 16 van de WW relevant aantal arbeidsuren heeft verloren, zodat zij begin met ingang van 1 september 2010 niet werkloos is geworden. De WW-uitkering is haar derhalve terecht ontzegd.

5.7.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M. Greebe en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2013.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) K.E. Haan

CVG