Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1926

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
03-10-2013
Zaaknummer
12-2697 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft het Uwv de aan appellant toegekende ZW-uitkering herzien omdat appellant inkomsten had uit arbeid. Bij nader besluit heeft het Uwv aan appellant tevens een boete opgelegd wegens schending van de inlichtingenplicht. Het hoger beroep van appellant richt zich uitsluitend tegen de opgelegde boete. Appellant heeft zijn inlichtingenplicht geschonden met betrekking tot het verrichten van werkzaamheden. Uit de feiten en omstandigheden volgt dat appellant van het overtreden van de inlichtingenplicht ook subjectief een verwijt valt te maken. Uit het voorgaande volgt dat het Uwv bevoegd was tot het opleggen van een boete aan appellant vanwege het schenden van zijn inlichtingenplicht, maar dat toepassing van artikel 2, eerste en tweede lid, van het Boetebesluit leidt tot een lagere boete.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2697 ZW

Datum uitspraak: 2 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van

4 april 2012, 11/9416 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 10 juli 2013. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.W.L. Clemens.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant heeft zich op 3 juni 2009 ziek gemeld. Aan hem is vervolgens een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Bij besluit van 6 september 2011 heeft het Uwv de aan appellant over de periode van

21 juni 2010 tot en met 29 mei 2011 toegekende ZW-uitkering herzien omdat appellant inkomsten had uit arbeid. Het over deze periode te veel betaalde bedrag aan ZW-uitkering van € 1.641,13 heeft het Uwv bij dit besluit van appellant teruggevorderd.

1.3. Bij brief van 6 september 2011 heeft het Uwv het voornemen kenbaar gemaakt om appellant een boete van € 170,- op te leggen wegens schending van de inlichtingenplicht. Bij besluit van 26 september 2011 heeft het Uwv aan appellant genoemde boete opgelegd.

1.4. Het door appellant tegen deze besluiten gemaakte bezwaar heeft het Uwv bij besluit van 25 november 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het door appellant tegen het bestreden besluit ingestelde beroep ongegrond verklaard en hiertoe als volgt overwogen.

2.1.

Appellant heeft ter zitting verklaard het eens te zijn met de terugvordering, maar het niet eens te zijn met de boete omdat hij zowel telefonisch als bij brief van 26 april 2011 zijn inkomsten uit arbeid heeft doorgegeven zodat geen sprake is van schending van de inlichtingenplicht.

2.2.

Er zijn geen aanknopingspunten dat appellant melding heeft gemaakt bij het Uwv van werkzaamheden die hij vanaf 21 juni 2010 is gaan verrichten.

2.3.

Appellant heeft de verzending van de brief van 26 april 2011 niet kunnen aantonen en de werkzaamheden in ieder geval te laat gemeld.

2.4.

Het Uwv heeft dan ook terecht een boete van € 170,- opgelegd. Van verminderde verwijtbaarheid op grond waarvan de hoogte van de boete moet worden gematigd dan wel van een dringende reden op grond waarvan moet worden afgezien van het opleggen van een boete, is de rechtbank ten slotte niet gebleken.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant wederom aangevoerd het niet eens te zijn met de boete. Zodra hij werk had gevonden bij [naam uitzendbureau] heeft hij zijn contactpersoon bij het Uwv,

R.H. [naam contactpersoon], opgebeld en aan hem doorgegeven dat hij werk had gevonden en hem gevraagd om zijn ZW-uitkering en WW-uitkering te stoppen. Op verzoek van [naam contactpersoon] heeft hij een brief naar het Uwv gestuurd.

3.2.

Het Uwv heeft naar aanleiding van het hoger beroep van appellant nadere dossierstudie verricht en de brief van 26 april 2011 met een dagstempel van ontvangst van 23 mei 2011 op het kantoor in Den Haag in het dossier aangetroffen. Het Uwv heeft arbeidsdeskundige [naam contactpersoon] geconfronteerd met de verklaring van appellant maar [naam contactpersoon] kan zich het dossier van appellant niet meer herinneren vanwege het tijdsverloop. Het Uwv heeft in andere dossier van appellant verder geen mededelingen aangetroffen ter zake van tijdens de ZW-uitkering genoten inkomsten uit arbeid dan wel verrichte werkzaamheden. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor het toepasselijke wettelijke kader zijn de volgende bepalingen van belang.

4.1.1.

Ingevolge artikel 49 van de ZW is de verzekerde verplicht aan het Uwv op zijn verzoek of onverwijld uit eigen beweging alle feiten en omstandigheden mee te delen waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op of de hoogte van zijn ZW-uitkering.

4.1.2.

Ter zake van het niet (behoorlijk) nakomen van deze verplichting is het Uwv op grond van artikel 45a van de ZW gehouden een boete op te leggen van ten hoogste € 2.269,-. Indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn kan het Uwv afzien van het opleggen van een boete.

4.1.3.

In het Boetebesluit socialezekerheidswetten (Boetebesluit) zijn nadere regels gesteld onder meer met betrekking tot artikel 45a van de ZW. Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Boetebesluit wordt de boete vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag, met dien verstande dat zij op ten minste € 52,- wordt vastgesteld. In het tweede lid van artikel 2 van het Boetebesluit is bepaald dat de boete naar boven wordt afgerond op een veelvoud van € 10,-.

4.2.

Het hoger beroep van appellant richt zich uitsluitend tegen de opgelegde boete.

4.3.

Appellant heeft niet betwist dat hij vanaf 21 juni 2010 met onderbrekingen via verschillende uitzendbureaus werkzaamheden heeft verricht noch de door het Uwv gemaakte berekening van het aantal gewerkte uren per week in periode in geding, zodat deze gewerkte uren als vaststaand worden aangenomen.

4.4.1.

Voor de stelling van appellant, dat hij telefonisch aan [naam contactpersoon] heeft doorgegeven werk te hebben gevonden bij uitzendbureau [naam uitzendbureau] teneinde zijn ZW-uitkering te stoppen, zijn in de beschikbare stukken geen aanknopingspunten te vinden. Uit een rapport van 4 april 2011 van [naam contactpersoon] blijkt juist dat appellant geen werk kan vinden vanwege onvoldoende vacatures. Daarbij komt dat appellant eerst met ingang van 2 mei 2011 via [naam uitzendbureau] is gaan werken zodat zijn stelling enkel betrekking heeft op de inlichtingenplicht voor deze werkzaamheden. Ook de werkzaamheden, die hij met ingang van 21 juni 2010 is gaan verrichtten via [uitzendbureau 2] en [uitzendbureau 3], had appellant moeten melden. Dit is gesteld noch gebleken.

4.4.2.

Appellant is er niet in geslaagd om te bewijzen dat bij Uwv de brief gedateerd

26 april 2011 op of rond die datum ter post is bezorgd of door het Uwv moet zijn ontvangen. In hoger beroep heeft het Uwv inmiddels erkend deze brief te hebben ontvangen en in dat verband aan de hand van een ontvangststempel op de brief van zijn kantoor in Den Haag genoegzaam toegelicht dat hij deze brief eerst op 23 mei 2011 heeft ontvangen. Daarmee wordt appellant vanaf dat moment geacht het Uwv te hebben geïnformeerd over zijn werkzaamheden zodat er vanaf dat moment geen sprake meer was van een schending van zijn inlichtingenplicht.

4.4.3.

Het voorgaande betekent dat appellant zijn inlichtingenplicht heeft geschonden met betrekking tot het verrichten van werkzaamheden over de periode van 21 juni 2010 tot en met 23 mei 2011, en niet tot en met 29 mei 2011.

4.5.

Voor het opleggen van een boete is de schending van de inlichtingenplicht op zich niet voldoende omdat ook is vereist dat appellant daarvan subjectief een verwijt kan worden gemaakt (CRvB 11 maart 2009, LJN BH7780). Bovendien zal bij verwijtbaarheid de boete moeten worden afgestemd op de ernst van de overtreding en de mate waarin deze aan de overtreder kan worden verweten (CRvB 27 mei 2010, LJN BM5914).

4.6.

Uit de hiervoor weergegeven feiten en omstandigheden volgt dat appellant van het overtreden van de inlichtingenplicht ook subjectief een verwijt valt te maken.

4.7.

Uit het voorgaande volgt dat het Uwv bevoegd was tot het opleggen van een boete aan appellant vanwege het schenden van zijn inlichtingenplicht, maar dat toepassing van artikel 2, eerste en tweede lid, van het Boetebesluit leidt tot een lagere boete. De boete dient nu immers te worden vastgesteld op 10% van het benadelingsbedrag over de periode van 21 juni 2010 tot en met 23 mei 2011 en wordt naar boven afgerond op een veelvoud van € 10,-.

5.

Uit de overwegingen 4.1 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het bestreden besluit komt voor vernietiging in aanmerking voor zover hiermee het besluit van 26 september 2011 in stand is gelaten. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72a van de Algemene wet bestuursrecht en met toepassing van de in 4.1.3 weergegeven bepalingen van het Boetebesluit, aan appellant een boete op leggen van € 140,-. Gelet op de hiervoor weergegeven omstandigheden, in onderling verband en samenhang beschouwd, acht de Raad deze boete evenredig.

6.

Aanleiding bestaat om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden begroot op € 3,54 aan reiskosten in beroep en op € 24,46 aan reiskosten in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 25 november 2011 voor zover hierbij het besluit van 26 september 2011 in stand is gelaten;

  • -

    legt op een boete op € 140,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit;

  • -

    bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de kosten van appellant tot een bedrag van € 28,-.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en M. Greebe en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2013.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) K.E. Haan

CVG