Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1921

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
04-10-2013
Zaaknummer
12-1814 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na afloop van zijn werkzaamheden heeft appellant bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de WW. Bij besluit is deze aanvraag afgewezen. Volgens het Uwv kon appellant niet als werknemer voor de WW worden beschouwd omdat er geen gezagsverhouding bestond. Daarbij is in aanmerking genomen dat de echtgenote van appellant enig aandeelhouder is van de holding, welke vennootschap alle aandelen van de BV bezit. In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of appellant kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW. Gelet op deze bepaling is vereist dat appellant tot de BV in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan. Deze vraag moet ontkennend worden beantwoord. In het geval van appellant is geen sprake geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2013-2525
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/1814 WW

Datum uitspraak: 2 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Assen van

16 februari 2012, 11/759 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.J. van der Veen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft aanvullende stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft gevoegd met het onderzoek in het hoger beroep onder nummer 12/4955 WW plaatsgevonden op 21 augustus 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Veen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F.H.M.A. Swarts. Op verzoek van appellant is als getuige gehoord [naam getuige], echtgenote van appellant. Na de zitting is de behandeling van de zaken gesplitst. In het hoger beroep onder nummer 12/4955 WW is heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is laatstelijk van 1 oktober 2009 tot en met 31 maart 2010 werkzaam geweest als financieel adviseur voor [naam BV]. Appellant was werkzaam op basis van een door partijen benoemde arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Volgens deze overeenkomst ontving appellant voor zijn werkzaamheden een basissalaris van € 3.500,- bruto per maand, een onkostenvergoeding van € 100,-, alsmede 8% vakantietoeslag welke zou worden uitgekeerd in de maand maart 2010.

1.2. Na afloop van deze werkzaamheden heeft appellant bij het Uwv een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). Bij besluit van 14 april 2010 is deze aanvraag afgewezen. Volgens het Uwv kon appellant niet als werknemer voor de WW worden beschouwd omdat er geen gezagsverhouding bestond tussen appellant en [naam BV]. Daarbij is in aanmerking genomen dat de echtgenote van appellant enig aandeelhouder is van de holding [naam BV 2], welke vennootschap alle aandelen bezit van [naam BV].

1.3. Bij besluit van 23 november 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 14 april 2010 ongegrond verklaard. Volgens het Uwv heeft appellant onvoldoende aannemelijk gemaakt dat sprake was van een gezagsverhouding. Daarnaast heeft het Uwv erop gewezen dat de loonbetaling niet op reguliere wijze heeft plaatsgevonden en dat bij de vertraagde loonbetalingen niet de verplichte verhoging is uitbetaald. Het Uwv heeft tevens overwogen dat de brief van het toenmalige GAK van

2 juni 1994, gericht aan [naam BV], waarin is besloten dat appellant verplicht verzekerd is voor onder meer de WW, onvoldoende is om aan te tonen dat ook in de periode van

1 oktober 2009 tot en met 31 maart 2010 sprake is geweest van een gezagsverhouding omdat dat besluit niet ziet op die periode.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank is appellant niet geslaagd in de weerlegging van het vermoeden dat vanwege de familierelatie geen sprake is van een gezagsverhouding. Appellant heeft niet voldoende aannemelijk gemaakt dat hij onder omstandigheden werkzaam is geweest als waaronder een vergelijkbare buitenstaander werkzaam zou zijn. De rechtbank heeft daarbij verwezen naar de onregelmatige loonbetalingen aan appellant. Tevens is geoordeeld dat onvoldoende is komen vast te staan dat appellant gehouden was instructies of aanwijzingen op te volgen. Ook overigens is niet gebleken van bijzondere omstandigheden die ondanks de huwelijksrelatie duidelijk op het bestaan van werkgeversgezag wijzen. Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel is afgewezen omdat verzekeringsplicht van rechtswege ontstaat, zodat een eventuele schending van het vertrouwensbeginsel daarop geen invloed heeft.

3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat hij weldegelijk in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot [naam BV]. Hij heeft erkend dat de loonbetalingen met vertraging hebben plaatsgevonden, maar benadrukt dat hij uiteindelijk wel zijn volledige salaris heeft ontvangen. Appellant heeft ter zitting nader toegelicht dat hij rechtstreeks opdrachten ontving van zijn werkgever en deze ook moest uitvoeren. De door de echtgenote ter zitting afgelegde verklaring is volgens hem hiermee in overeenstemming.

3.2.

Appellant heeft in hoger beroep opnieuw een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Hij heeft nogmaals gewezen op de onder 1.3 vermelde brief van het GAK van 2 juni 1994 en benadrukt dat hij vanaf 1994 in diverse tijdelijke dienstverbanden heeft gewerkt voor

[naam BV] waarbij hem na afloop van deze dienstverbanden steeds zonder probleem een

WW-uitkering is verstrekt.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of appellant kan worden aangemerkt als werknemer in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW. Gelet op deze bepaling is vereist dat appellant tot [naam BV] in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan. Uit de rechtspraak van de Hoge Raad (zie onder meer HR 13 juli 2007, LJN BA6231 en

HR 25 maart 2011, LJN BP3887) en van de Raad (zie bijvoorbeeld CRvB 1 april 2011,

LJN BQ0098 en CRvB 15 april 2011, LJN BQ1775) blijkt dat voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking maatgevend is of tussen appellant en [naam BV] sprake was van een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 van het Burgerlijk Wetboek, waarbij als criteria gelden een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding en een verplichting tot het betalen van loon. Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien, en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het sluiten van de overeenkomst voor ogen stonden, maar dient ook acht te worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun overeenkomst en aldus daaraan inhoud hebben gegeven.

4.2.

In de rechtspraak van de Raad (bijvoorbeeld CRvB 3 februari 2012, LJN BV2723) is uitgangspunt dat het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen echtelieden

- partners die samenwonen zijn daarmee gelijkgesteld - in de regel niet aannemelijk is, omdat gewoonlijk de vereiste gezagsverhouding zal ontbreken. Dit sluit echter de mogelijkheid niet uit dat de ene echtgenoot werkgeverschap uitoefent over de andere echtgenoot, maar dat kan alleen worden aangenomen als de omstandigheden van het geval hier duidelijk op wijzen. Dit uitgangspunt geldt ook in een geval als het onderhavige waarbij de echtgenote van appellant (via de holding) directeur enig aandeelhouder is van de vennootschap waarvoor appellant werkzaam is geweest.

4.3.

In het geval van appellant is niet gebleken dat hij duidelijk in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond tot [naam BV]. Niet aannemelijk is geworden dat appellant werkzaam was onder omstandigheden als waaronder een vergelijkbare buitenstaander werkzaam zou zijn geweest. De rechtbank heeft in dit verband terecht gewezen op de onregelmatige loonbetalingen aan appellant. Appellant heeft zijn loon, met uitzondering van het loon over de maand oktober 2009, pas vanaf mei 2010 uitbetaald gekregen. Bovendien vonden deze loonbetalingen veelal gefaseerd plaats en ontving appellant niet de wettelijke verhogingen in verband met de te late betalingen. Blijkens zich onder de gedingstukken bevindende bankafschriften ontving appellant daarnaast vanaf de bankrekening van

[naam BV] betalingen onder vermelding van ‘aanvulling saldo’. Appellant heeft ter zitting verklaard dat deze betalingen verband hielden met het feit dat zijn echtgenote niet wilde dat een negatief saldo zou ontstaan op een van de rekeningen. Hieruit blijkt duidelijk dat sprake was van een verwevenheid van zakelijke en privébelangen en dat appellant een afwijkende positie had ten opzichte van gewone werknemers, die, zoals de echtgenote van appellant ter zitting heeft verklaard, in de regel wel op tijd hun salaris kregen uitbetaald. De afwijkende positie van appellant blijkt ook uit het feit dat hij in periodes waarin hij een WW-uitkering ontving zonder enige vergoeding werkzaamheden bleef verrichten voor [naam BV]. Bovendien gaf appellant adviezen aan de holding [naam BV 2] over investeringen van deze vennootschap in Ierland met welke BV hij geen dienstverband had. Ook hieruit blijkt de verwevenheid van zakelijke en privébelangen van beide echtelieden. Deze feiten en omstandigheden laten zien dat de arbeidsverhouding van appellant met [naam BV] in overwegende mate werd beheerst door de echtelijke relatie.

4.4.

Appellant heeft ter zitting uiteengezet dat hij in zijn functie van financieel adviseur opdrachten en aanwijzingen ontving van zijn echtgenote. Daartoe stelde zij wekelijks een lijst op van zaken die appellant moest regelen. Indien appellant taken of opdrachten niet (tijdig) afrondde, sprak zijn echtgenote hem daarop aan en deed zij die werkzaamheden zo nodig zelf. In het licht van de onder 4.3 vermelde feiten en omstandigheden vormt dit gegeven evenwel onvoldoende grond voor het oordeel dat ondanks de huwelijkse relatie duidelijk sprake was van werkgeversgezag.

4.5.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen volgt dat er in het geval van appellant geen sprake is geweest van een privaatrechtelijke dienstbetrekking in de zin van artikel 3, eerste lid, van de WW.

4.6.

Het beroep van appellant op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Het Uwv heeft er terecht op gewezen dat de in 1994 afgegeven beslissing en de latere besluiten waarbij appellant een WW-uitkering is toegekend niet zien op de periode van 1 oktober 2009 tot en met

31 maart 2010 waarop de onderhavige aanvraag om WW-uitkering betrekking had. Aan de toekenningen in het verleden kan appellant geen rechten ontlenen voor de nu aan de orde zijnde periode.

4.7.

De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

5.

Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2013.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) D.E.P.M. Bary

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen over de begrippen werknemer, werkgever, dienstbetrekking en loon.

GdJ