Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1909

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
02-10-2013
Datum publicatie
04-10-2013
Zaaknummer
11-6906 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft het Uwv appellante weer een WGA-uitkering toegekend op de grond dat appellante binnen vijf jaar door dezelfde ziekteoorzaak opnieuw arbeidsongeschikt is geworden. Met de rechtbank ziet de Raad geen aanknopingspunten om de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts, zoals uiteengezet in de rapporten, onjuist te achten aangezien deze naar zijn oordeel voldoende inzichtelijk en overtuigend zijn gemotiveerd. Appellante heeft ook in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens ingebracht die doen twijfelen aan de juistheid van die conclusies per de datum in geding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6906 WIA

Datum uitspraak: 2 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

19 oktober 2011, 11/6081 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te[woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. G. Çimen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 21 augustus 2013. Appellante is verschenen met bijstand van mr. N.M. van der Slot, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is op 1 juni 2004 uitgevallen vanwege lichamelijke en psychische klachten op basis van een eetstoornis (boulimia nervosa). In dat kader heeft zij over de periode van

30 mei 2006 tot 1 februari 2008 een WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) ontvangen.

1.2. Naar aanleiding van haar uitval op 12 januari 2009 heeft appellante op 30 november 2010 opnieuw een uitkering op grond van de Wet WIA aangevraagd. Daarbij heeft appellante te kennen gegeven dat zij met ingang van 20 december 2010 gedurende een periode van negen maanden voor behandeling in het Centrum Persoonlijkheidsstoornissen Jelgersma (CPJ) zal verblijven.

1.3. Bij besluit van 24 februari 2011 heeft het Uwv appellante met ingang van

14 december 2009 weer een WGA-uitkering toegekend op de grond dat appellante binnen vijf jaar door dezelfde ziekteoorzaak opnieuw arbeidsongeschikt is geworden. Bij besluit van

22 juni 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 24 februari 2011 ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd het rapport van een bezwaarverzekeringsarts van 21 juni 2011.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Volgens de rechtbank kan, gelet op de informatie van 31 maart 2010 van de behandelend psychotherapeut van appellante, het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts worden gevolgd dat de persoonlijkheidsstoornis de onderliggende oorzaak is die zich bij de eerste uitval van appellante (meer) uitte in een eetstoornis en zich ten tijde van de tweede uitval meer uitte in een stemmingsstoornis. Uit voormelde brief van de psychotherapeut blijkt volgens de rechtbank dat is komen vast te staan dat bij appellante diagnostisch sprake is van een persoonlijkheidsstoornis met borderline trekken en dat in het kader van de persoonlijkheidsproblematiek eetproblemen een rol hebben gespeeld alsmede stemmings- en angstklachten. Daarnaast heeft de rechtbank gewezen op de brief van de huisarts van appellante van 6 mei 2005 waaruit naar voren komt dat appellante, naast eetproblemen, last had van depressieve klachten, hyperventilatie, angst en intrusieve gedachten. Ook uit een rapport van een verzekeringsarts van 17 mei 2005 blijkt dat destijds niet alleen sprake was van een eetstoornis, maar ook van depressieve klachten.

3.

In hoger beroep heeft appellante herhaald dat haar arbeidsongeschiktheid op

12 januari 2009 werd veroorzaakt door een andere ziekteoorzaak, te weten een depressie en niet door een eetstoornis. Appellante heeft erop gewezen dat haar psychotherapeut in zijn brief van 31 maart 2010 in de verleden tijd over haar eetstoornis spreekt en pas in 2010 bij haar de diagnose van persoonlijkheidsstoornis NAO is gesteld. Uit de indicatiestelling van het CPJ van 7 oktober 2010 blijkt volgens appellante eveneens dat zij is gediagnostiseerd met een persoonlijkheidsstoornis NAO en bovendien is bij de diagnose boulimia nervosa duidelijk vermeld dat de eetstoornis in gedeeltelijke remissie verkeert. Volgens appellante heeft het Uwv niet aangetoond dat de in gedeeltelijke remissie verkerende eetstoornis de oorzaak is van haar arbeidsongeschiktheid vanaf 12 januari 2009 noch dat de in gedeeltelijke remissie verkerende eetstoornis verband houdt met de later bij haar ontwikkelde persoonlijkheidsstoornis. Appellante stelt zich op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de eetstoornis niet los kan worden gezien van de persoonlijkheidsstoornis.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit kan de Raad zich geheel verenigen met hetgeen de rechtbank daaromtrent heeft overwogen. Ook de Raad ziet geen aanknopingspunten om de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts, zoals uiteengezet in de rapporten van 21 juni 2011 en 20 september 2011, onjuist te achten aangezien deze naar zijn oordeel voldoende inzichtelijk en overtuigend zijn gemotiveerd. Appellante heeft ook in hoger beroep geen nieuwe medische gegevens ingebracht die doen twijfelen aan de juistheid van die conclusies per de datum in geding.

4.2.

Inzake het standpunt van appellante dat - kort gezegd - het Uwv niet heeft aangetoond dat sprake is van eenzelfde ziekteoorzaak wijst de Raad op zijn vaste rechtspraak, bijvoorbeeld de uitspraak van 28 april 2010, LJN BM2700. Hierin is bepaald dat voor de toepassing van de artikelen 50, eerste lid, en 57, eerste lid, van de Wet WIA buiten twijfel dient te staan dat de toegenomen arbeidsongeschiktheid voortvloeit uit een andere ziekteoorzaak en dat de bewijslast in beginsel rust op degene die het standpunt huldigt dat er geen verband bestaat tussen de eerdere en de latere uitval. In dit geval is dat dus appellante, aangezien zij het bestaan van de persoonlijkheidsstoornis als onderliggende problematiek en ziekteoorzaak voor beide ziektegevallen ontkent.

4.3.

Uit hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden als voorzitter en J.S. van der Kolk en
A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 oktober 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) M.P. Ketting

HD