Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1897

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
03-10-2013
Zaaknummer
12-483 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag langdurigheidstoeslag. Door uitsluitend 31 december 2007 als peildatum te nemen heeft het college een onjuiste maatstaf aangelegd. De rechtbank heeft dit niet onderkend. Vernietiging uitspraak. Aangezien als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting over de in aanmerking te nemen referteperiode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006 gedurende meerdere tijdvakken het recht op bijstand niet was vast te stellen, betekent dit tevens dat evenmin kan worden vastgesteld of appellanten voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, onder a en b, van de WWB. Datzelfde geldt indien een andere peildatum in het jaar 2007 wordt genomen. Rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/483 WWB, 12/484 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

16 december 2011, 11/1090 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant 1] en [Appellant 2] te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Peel en Maas (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. J.H.M. Verstraten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de Raad heeft het college aanvullende inlichtingen verstrekt en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2013. Voor appellanten is verschenen mr. Verstraten. Het college heeft zich, daartoe opgeroepen, laten vertegenwoordigen door S.R. Schipperheijn.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvangen sinds 1982 bijstand naar de norm voor gehuwden, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Bij besluit van 29 juni 2009 heeft de rechtsvoorganger van het college een aanvraag van appellanten om een langdurigheidstoeslag over 2008 afgewezen. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend. Op 23 maart 2011 hebben appellanten bij het college langdurigheidstoeslag over onder meer 2007 en 2008 aangevraagd. Bij besluit van 15 augustus 2011 (bestreden besluit) is gehandhaafd het besluit van 25 maart 2011 waarbij deze aanvraag afgewezen. Daaraan is, samengevat, ten grondslag gelegd dat met betrekking tot 2007, uitgaande van de peildatum 31 december 2007, wegens verrichte werkzaamheden en ontvangen inkomsten in 2007 niet is voldaan aan de eis van afwezigheid van arbeidsmarktperspectief. Wat betreft 2008 is het standpunt ingenomen dat het eerder genomen besluit van 29 juni 2009 in rechte onaantastbaar is geworden en dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep hebben appellanten zich op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Het hoger beroep ziet, gelet op het verhandelde ter zitting, nog uitsluitend op de aanspraak op langdurigheidstoeslag over 2007.

4.2.

Ingevolge artikel 36, eerste lid, van de WWB , zoals dit artikellid luidde ten tijde van belang, verleent het college op aanvraag een langdurigheidstoeslag aan een persoon van

23

jaar of ouder doch jonger dan 65 jaar die:

  1. gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden een inkomen heeft dat niet hoger is dan de bijstandsnorm en geen in aanmerking te nemen vermogen als bedoeld in artikel 34 van de WWB heeft;

  2. gedurende de in onderdeel a bedoelde periode geen inkomsten uit of in verband met arbeid heeft ontvangen of ten aanzien van wie het college van oordeel is dat, gelet op de zeer geringe hoogte van de inkomsten uit of in verband met arbeid in die periode en de zeer geringe duur van deze arbeid, in redelijkheid niet gesproken kan worden van een feitelijke aanwezigheid van arbeidsmarktperspectief;

(…)

4.3.

Zoals de Raad al eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 4 juli 2006 ECLI:NL: CRvB: 2006: AY0263) geldt ter zake van een over een bepaald jaar aangevraagde langdurigheidstoeslag 1 januari van dat jaar in beginsel als peildatum, met dien verstande dat de betrokkene alsdan gedurende een ononderbroken periode van 60 maanden moet hebben voldaan aan de in artikel 36, eerste lid, van de WWB gestelde voorwaarden. Dat betekent dat in dit geding allereerst 1 januari 2007 als peildatum moet worden genomen.

4.4.

Door uitsluitend 31 december 2007 als peildatum te nemen heeft het college een onjuiste maatstaf aangelegd. De rechtbank heeft dit niet onderkend, zodat de aangevallen uitspraak in zoverre voor vernietiging in aanmerking komt. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de langdurigheidstoeslag over 2007, wegens strijd met de wet vernietigen. De Raad zal voorts bezien of de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.5.

Onder de gedingstukken bevindt zich een tussen appellanten en de rechtsvoorganger van het college gewezen, en inmiddels onherroepelijk geworden, uitspraak van de rechtbank Roermond van 9 april 2008. Met deze uitspraak, die is gedaan naar aanleiding van het beroep van appellanten tegen een ter uitvoering van de uitspraak van de Raad van 17 juli 2007 (ECLI:NL: CRvB: 2007: BB1640) genomen beslissing op bezwaar, is in rechte komen vast te staan dat, voor zover hier relevant, de rechtsvoorganger van het college over de periode van

1 januari 2002 tot en met 31 december 2004 terecht over een aantal maanden de bijstand heeft ingetrokken omdat het recht over die maanden - wegens verzwegen en niet met concrete objectieve gegevens onderbouwde autotransacties - niet was vast te stellen en terecht over die maanden kosten van bijstand heeft teruggevorderd tot een bedrag van € 55.287,41 over de jaren 2000 tot en met 2004. Aangezien als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting over de in aanmerking te nemen referteperiode van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2006 gedurende meerdere tijdvakken het recht op bijstand niet was vast te stellen, betekent dit tevens dat evenmin kan worden vastgesteld of appellanten voldoen aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid, onder a en b, van de WWB zoals deze bepaling ten tijde in geding luidde. Datzelfde geldt indien een andere peildatum in het jaar 2007 wordt genomen. Nu dit op zichzelf reeds een beletsel vormt voor toewijzing van de langdurigheidstoeslag over 2007 kan verder buiten bespreking blijven of, en in hoeverre, de door het college nader verstrekte gegevens over door appellanten in 2005 en 2006 verrichte werkzaamheden en daarmee verworven inkomsten aan toekenning van een langdurigheidstoeslag in de weg staan. Gelet hierop kunnen de rechtsgevolgen van het te vernietigen gedeelte van het bestreden besluit in stand worden gelaten.

4.6.

Wat onder 4.4 en 4.5 is overwogen brengt mee dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover aangevochten evenals het bestreden besluit voor zover dat ziet op de langdurigheidstoeslag over 2007 en dat de rechtsgevolgen van het in zoverre te vernietigen besluit in stand kunnen blijven.

5.

Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 944,- in beroep en op € 944,- in hoger beroep, voor verleende rechtsbijstand, derhalve in totaal € 1.888,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep in zoverre gegrond;

- vernietigt het besluit van 15 augustus 2011 voor zover dit ziet op de langdurigheidstoeslag

over 2007 en bepaalt dat de rechtsgevolgen van dat besluit in zoverre in stand blijven;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.888,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en R.H.M. Roelofs en Y.J. Klik als leden, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) A.C. Oomkens

EH