Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1895

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
02-10-2013
Zaaknummer
12-2114 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie
-
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/2114 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 20 maart 2012, 11/5302 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B.B.A. Willering, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2013. Namens appellant is verschenen mr. Willering. Het college is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft op 18 april 2011 een aanvraag om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Het college heeft appellant in eerste instantie de gelegenheid geboden om uiterlijk 25 mei 2011 en in tweede instantie om uiterlijk 8 juni 2011 alsnog bankafschriften en gegevens met betrekking tot zijn opgeheven taxibedrijf en een auto te overleggen.

1.2.

Bij besluit van 9 juni 2011 heeft het college de aanvraag afgewezen. Aan dit besluit ligt ten grondslag dat appellant niet heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingverplichting omdat hij niet de gevraagde informatie heeft overgelegd.

1.3.

Bij besluit van 18 oktober 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 9 juni 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 17, eerste lid, van de WWB doet de belanghebbende aan het college, op verzoek of onverwijld uit eigen beweging, mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand.

4.2.

Het gaat in dit geding om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen. Indien de aanvrager niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.3.

Het college heeft appellant bij brieven van 11 mei 2011 en 25 mei 2011 alsnog in de gelegenheid gesteld om de gevraagde gegevens uiterlijk 8 juni 2011 over te leggen. Van deze gelegenheid heeft appellant geen gebruik gemaakt. Op 9 juni 2011 heeft appellant een aantal gegevens overgelegd, maar niet alle gevraagde gegevens. Appellant heeft dit ook erkend in zijn begeleidend schrijven van 9 juni 2011. De beroepsgrond dat de gevraagde gegevens niet binnen de termijn konden worden overgelegd, kan niet slagen. Appellant heeft dat niet aannemelijk gemaakt, terwijl hij ook om uitstel voor het indienen van de gevraagde gegevens had kunnen vragen en dat heeft hij niet gedaan. Ook nadien heeft appellant de nog ontbrekende gegevens niet overgelegd. Het feit dat appellant met ingang van 23 september 2011 wel bijstand toegekend heeft gekregen, betekent op zichzelf niet dat de hier in geding zijnde afwijzing onjuist is.

4.4.

Uit 4.3 volgt dat appellant de op grond van artikel 17 van de WWB op hem rustende inlichtingenverplichting niet is nagekomen omdat hij de gevraagde en voor de bijstandverlening van belang zijnde gegevens niet heeft verstrekt. Aangezien als gevolg daarvan het recht op bijstand van appellant niet kan worden vastgesteld, heeft het college deze aanvraag om bijstand terecht afgewezen.

4.5.

Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2013.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) J.T.P. Pot

HD