Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1894

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
02-10-2013
Zaaknummer
12-216 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het college heeft het bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard wegens niet verschoonbare termijn overschrijding bij het indienen van het bezwaarschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/216 WWB

Datum uitspraak: 1 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

24 november 2011, 11/867 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[A. te B.] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. B. van Dijk, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nader stuk ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van Dijk. Het college heeft zich met bericht niet laten vertegenwoordigen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Bij besluit van 27 april 2011 heeft het college aan appellant met ingang van 10 maart 2011 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand toegekend.

1.2.

Bij besluit van 15 juli 2011 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 27 april 2011 niet-ontvankelijk verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat het bezwaarschrift niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes weken is ingediend, aangezien het bezwaarschrift op 10 juni 2011 is verzonden en door het college op

15 juni 2011 is ontvangen. Verder heeft appellant volgens het college voor de termijnoverschrijding geen verschoonbare reden gegeven.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling en verwijst voor een weergave van de relevante wettelijke bepalingen naar de aangevallen uitspraak.

4.1.

Appellant wijst op zijn brief aan het college van 26 mei 2011 en stelt dat hij reeds met deze brief tegen het besluit van 27 april 2011 bezwaar heeft gemaakt. Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij de brief binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van zes weken na bekendmaking van het besluit van 27 april 2011 bij het college heeft ingediend. Het college heeft namelijk ontkend dat de brief in het dossier van appellant aanwezig was en aangevoerd dat het pas in de beroepsfase van de brief kennis heeft genomen. Bovendien heeft appellant in de brief van 28 juni 2011, geschreven in reactie op de brief van het college van

16 juni 2011 met daarin het verzoek om aan te geven waarom hij het bezwaarschrift van

10 juni 2011 te laat heeft ingediend, geen melding van de brief van 26 mei 2011 gedaan. Indien hij de brief van 26 mei 2011 al op dat moment bij het college had ingediend, had het voor de hand gelegen dat hij daarvan in de brief van 28 juni 2011 melding had gedaan.

4.2.

Dit betekent dat appellant niet tijdig tegen het besluit van 27 april 2011 bezwaar heeft gemaakt.

4.3.

Appellant heeft evenmin aannemelijk gemaakt dat hij buiten staat is geweest tijdig een bezwaarschrift in te dienen. Weliswaar vermeldt GZ-psycholoog drs. J.E.J. van der Velden in haar brief van 7 juni 2012 dat appellant symptomen van PTSS vertoonde, dat hij daarvoor behandeld is, dat hij in de daarop volgende gesprekken heeft verteld dat hij geregeld angstig is en bijvoorbeeld de post niet durft te openen, maar daaruit blijkt niet dat appellant gedurende de gehele bezwaartermijn buiten staat is geweest om bezwaar te maken. Daarbij is van belang dat appellant, nu hij gelet op 4.1 stelt dat hij bij brief van 26 mei 2011 tijdig bezwaar heeft gemaakt, op dat moment van het besluit van 27 april 2011 kennelijk op de hoogte was. Het college heeft het bezwaar tegen het besluit van 27 april 2011 daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard.

4.4.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Geen aanleiding bestaat voor een veroordeling in de proceskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2013.

(getekend) J.F. Bandringa

(getekend) J.T.P. Pot

HD