Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1889

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
01-10-2013
Datum publicatie
01-10-2013
Zaaknummer
11-7342 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding. Schending inlichtingenverplichting. De onderzoeksbevindingen vormen een toereikende feitelijke grondslag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7342 WWB

Datum uitspraak: 1 oktober 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

14 november 2011, 11/902 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

het dagelijks bestuur van het openbaar lichaam Kompas, gemeentelijk collectief voor werk, inkomen & zorg (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.J.M. Heuvelmans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Heuvelmans. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door F.H.M. Limpens.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 18 maart 1994 bijstand naar de norm voor een alleenstaande, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Appellante staat ingeschreven op het adres [Adres A.] te [woonplaats].

1.2.

Naar aanleiding van een anonieme tip op 1 december 2010 dat appellante op haar woonadres samenwoont met een onbekende man, heeft de sociale recherche van de gemeente [woonplaats]een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan haar verleende bijstand. In dat kader heeft op 16 december 2010 een onaangekondigd huisbezoek in de woning van appellante plaatsgevonden, waarbij [D.]([D.] werd aangetroffen, en hebben appellante en [D.] op die dag verklaringen afgelegd. Daarna heeft diezelfde dag een huisbezoek plaatsgevonden in de woning van [D.] en heeft hij een tweede verklaring afgelegd.

1.3.

Het dagelijks bestuur heeft in de resultaten van het onderzoek, die zijn neergelegd in een rapport van 22 december 2010, aanleiding gezien om bij besluit van 22 december 2010 - voor zover relevant - de bijstand van appellante ingaande 16 december in te trekken, de bijstand over de periode van 1 maart 2010 tot en met 15 december 2010 in te trekken en de over voornoemde periode gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 8.426,76 van appellante terug te vorderen op de grond dat zij vanaf 1 maart 2010 een gezamenlijke huishouding met [D.] voert zonder het dagelijks bestuur daarvan op de hoogte te stellen. Om diezelfde reden is besloten een maatregel op te leggen ter hoogte van € 1.070,-.

1.4.

Bij besluit van 20 april 2011 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 december 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, voor zover in geding, het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 3, derde lid, van de WWB is van een gezamenlijke huishouding sprake, indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.

4.2.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de onderzoeksbevindingen een toereikende feitelijke grondslag vormen voor de conclusie van het dagelijks bestuur dat appellante en [D.] in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding voerden op het adres van appellante. In het bijzonder wordt betekenis gehecht aan de door appellante en [D.], afzonderlijk van elkaar, tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen. Appellante heeft verklaard dat [D.] in ieder geval vanaf 1 maart 2010 voor het merendeel van de tijd op haar adres verblijft en elke dag mee-eet. Ter compensatie neemt [D.] appellante bijna elk weekend mee op stap en betaalt hij onder meer het eten en drinken. In haar garderobekast liggen meeste goede zomer- en winterkleren van [D.]. [D.] heeft verklaard dat hij het met de verklaring van appellante eens is. Verder heeft hij verklaard dat hij in zijn woning slechts wat oude kleren heeft liggen, dat hij het afgelopen jaar slechts 9 m3 water heeft verbruikt en dat er geen etenswaren in zijn woning aanwezig zijn, noch in de koelkast noch daarbuiten.

4.3.

Volgens vaste rechtspraak (CRvB 20 oktober 2009, LJN BK1252) mag, ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en vervolgens door de betrokkene ondertekende verklaring, tenzij er zodanige bijzondere omstandigheden zijn geweest dat op dit algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt.

4.4.

Anders dan appellante heeft betoogd, is er geen aanleiding haar niet te houden aan deze verklaring. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat zich zodanige bijzondere omstandigheden voordoen dat op dit hiervoor in 4.3 geformuleerde, algemene uitgangspunt een uitzondering moet worden gemaakt. De processen-verbaal van de verhoren van appellante en [D.] zijn door de sociaal rechercheurs op ambtsbelofte opgemaakt, de verklaringen zijn voorgelezen en appellante en [D.] hebben deze vervolgens (zonder voorbehoud) per bladzijde ondertekend. De verklaringen van appellante en [D.] zijn afzonderlijk van elkaar afgelegd en komen in grote lijnen met elkaar overeen. De verklaringen vinden bovendien steun in de bevindingen van de onder 1.2 genoemde huisbezoeken bij appellante en [D.] op 16 december 2010. Tijdens het huisbezoek bij appellante komt [D.] via de achterdeur van de woning binnen, wordt er in de garderobekast in de ouderslaapkamer een groot aantal kledingstukken van [D.] aangetroffen, hangt er een pantalon en een overhemd over de leuning van het bed en worden er in de badkamer mannenscheerschuim en douchegel aangetroffen evenals een mannenoverhemd in de wasmand. Bij het huisbezoek op het adres van [D.] wordt geconstateerd dat de woning er niet bewoond uitziet. In de woonkamer liggen stapels vol post onder andere op de bank en een stoel, staan er diverse dozen met cd’s in het midden van de woonkamer, in de keuken liggen kranten en reclamefolders torenhoog opgestapeld en overal ligt veel stof. Voor haar stelling dat de verklaringen achteraf bezien niet overeenkomstig de werkelijkheid zijn geweest, zijn geen aanknopingspunten te vinden in de daartoe tijdens de hoorzitting van 28 maart 2011 afgelegde getuigenverklaringen van familieleden en overgelegde werkschema’s van [D.]. Deze verklaringen en werkschema’s zeggen niets over het hoofdverblijf in de woning van appellante. Uit de door het dagelijks bestuur per e-mailbericht op 29 januari 2011 ontvangen gegevens van het Limburgse waterbedrijf WML blijkt het waterverbruik over de periode

9 november 2009 tot en met 28 oktober 2010 op het woonadres van [D.] 9 m3 te bedragen. Vergeleken met een gemiddeld waterverbruik voor een één-persoonshuishouden van 52 m3 per jaar is dit verbruik zo laag dat in redelijkheid niet kan worden aangenomen dat [D.], ook al kan hij douchen bij zijn werkgever, op doordeweekse dagen in de nacht en ochtend in deze woning heeft verbleven. Hierbij merkt de Raad tevens op dat [D.] niet heeft verklaard ook nog op een ander adres dan het eigen woonadres of dat van appellante te hebben verbleven. Uit het voorgaande volgt dat aan het eerste criterium voor het voeren van een gezamenlijke huishouding, het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning, is voldaan.

4.5.

Voorts blijkt uit de verklaringen van appellante en [D.] dat ook aan het tweede criterium van een gezamenlijke huishouding, dat van de wederzijdse zorg, is voldaan. Zo heeft appellante verklaard dat [D.] elke dag bij haar komt eten, dat zij de boodschappen betaalt en werkkleding van [D.] verstelt en dat [D.] als tegenprestatie hiervoor haar bijna elk weekend mee op stap neemt en dan het eten en drinken voor haar betaalt. Deze verklaring wordt door [D.] bevestigd en door het feit dat er in de woning van [D.] geen etenswaren aanwezig waren.

4.6.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het dagelijks bestuur zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante en [D.] in de te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd en dat appellante dit in strijd met de op haar rustende inlichtingenverplichting niet heeft gemeld. De in dit verband door appellante in hoger beroep overgelegde nadere stukken omtrent het verbruik in de periode november 2011 tot en met november 2012 doen aan het vorenstaande niet af.

4.7.

Tegen de terugvordering en het opleggen van een maatregel zijn geen zelfstandige beroepsgronden aangevoerd zodat deze verder buiten bespreking blijven.

4.8.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak dient, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 oktober 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) V.C. Hartkamp

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH

’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.

HD