Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1887

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2013
Datum publicatie
01-10-2013
Zaaknummer
11-7317 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Loongerelateerde WGA-uitkering, naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 48%. Ondeugdelijke arbeidskundige onderbouwing. Betrokkene voldoet niet aan de eisen in twee van de vier functies met betrekking tot de beheersing van de Nederlandse taal. In zijn beschrijving van de ondernomen activiteiten vermeldt de consulent van het re-integratiebedrijf de constatering van een school dat Nederlandse spreekvaardigheid van betrokkene onvoldoende is om les te kunnen geven of om te kunnen assisteren als klassenassistent.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7317 WIA

Datum uitspraak: 27 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

8 november 2011, 11/1287 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (appellant)

[Betrokkene] te [woonplaats](betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Namens betrokkene heeft mr. A. van den Broek, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2013. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.J.H. Maas. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Van den Broek.

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is in 2000 vanuit Afghanistan naar Nederland gekomen. Vanaf 1 juli 2002 was hij werkzaam als medewerker schoenreparatie en sleutelmakerij voor 38 uren per week. Op 6 oktober 2008 heeft betrokkene zich ziek gemeld met nek- en rugklachten na een

auto-ongeval.

1.2. Na medisch en arbeidskundig onderzoek heeft appellant bij besluit van

16 september 2010 vastgesteld dat betrokkene met ingang van 4 oktober 2010 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering. Daarbij is de mate van arbeidsongeschiktheid van betrokkene vastgesteld op 48%. Het door betrokkene tegen dit besluit gemaakte bezwaar, heeft appellant bij besluit van 15 maart 2011 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2.1. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van betrokkene tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd voor zover dat betrekking heeft op het arbeidsongeschiktheidspercentage, het primaire besluit van

16 september 2010 voor zover dat ziet op het arbeidsongeschiktheidspercentage herroepen en bepaald dat betrokkene met ingang van 4 oktober 2010 recht heeft op een WGA-uitkering naar een arbeidsongeschiktheidspercentage van 80 tot 100%.

2.2. Met betrekking tot de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat op grond van de beschikbare gegevens de medische beperkingen van betrokkene tot het verrichten van arbeid door appellant niet zijn onderschat.

2.3. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het bestreden besluit op een ondeugdelijke grondslag berust.

De rechtbank heeft daartoe in de aangevallen uitspraak, waar voor verweerder en eiser wordt gelezen appellant en betrokkene, het volgende overwogen:

“Uitgaande van de zojuist bedoelde beperkingen is zijdens verweerder een viertal loondienstfuncties voor eiser geselecteerd, te weten de functies van medewerker klantenservice bij een zorgverzekeraar (functie A), monteur bij een electronicaassemblagebedrijf (functie B), teamondersteuner bij een sociaal verzekeringsorgaan (functie C) en draadwever/nadenlegger bij een metaal- en kunstdoekweverij (functie D). Functie A is ongeschikt voor eiser omdat daarbij de Nederlandse taal ook schriftelijk moet worden beheerst. Eiser is vanwege zijn afkomst uit Afghanistan daartoe niet in staat. Functie C moet eveneens van de hand worden gewezen, nu daarbij in voorkomend geval gedurende meer dan vier uren per dag toetsenbord en muis van een computer moeten worden bediend en hij daartoe, gezien de zogenaamde functionele mogelijkhedenlijst, niet in staat moet worden geacht. Verweerders tegenwerping dat dit “maar enkele malen per maand voorkomt” is een relativering die de rechtbank niet kan volgen. Bovendien komt het de rechtbank onaannemelijk voor dat deze functie daadwerkelijk kan worden uitgeoefend zonder schriftelijke beheersing van de Nederlandse taal.

De functies B en D moeten geacht worden binnen eisers mogelijkheden te liggen. Met name is de rechtbank er niet van overtuigd kunnen raken dat eiser een te geringe hand- en vingervaardigheid zou hebben voor de uitoefening van die functies.

Nu er slechts twee voor eiser geschikte loondienstfuncties resteren, berust het bestreden besluit op een ondeugdelijke grondslag. De rechtbank zal dat besluit daarom vernietigen. Voorst stelt de rechtbank vast dat eiser, nu er onvoldoende loondienstfuncties voor hem zijn aan te wijzen, recht heeft op een WGA-uitkering naar een volledige arbeidsongeschiktheid van 80-100%. De rechtbank zal dienovereenkomstig zelf in de zaak voorzien.”

3.1. Appellant heeft in hoger beroep, dat zich richt tegen het oordeel van de rechtbank over de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit, aangevoerd dat de rechtbank de functies van medewerker klantenservice bij een zorgverzekeraar (functie A) en teamondersteuner bij een sociale verzekeringsorgaan (functie C) op onjuiste gronden heeft verworpen. Met betrekking tot de beheersing van de Nederlandse taal heeft appellant er op gewezen dat betrokkene bij zijn voormalige werkgever daarmee geen problemen had en betoogd dat betrokkene op grond van zijn eigen verklaring en die van het re-integratiebedrijf de Nederlandse taal in voldoende mate mondeling en schriftelijk beheerst om ook de functies A en C te kunnen vervullen. Appellant heeft verder aangevoerd dat van een ontoelaatbare relativering met betrekking tot het bedienen van toetsenbord en muis van een computer geen sprake is.

3.2. Betrokkene heeft in het verweerschrift verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Gelet op het hoger beroepschrift en het verhandelde ter zitting stelt de Raad vast dat het hoger beroep van appellant beperkt is tot het oordeel van de rechtbank dat twee van de vier geduide functies moeten worden verworpen.

4.2.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat de functies A en C voor betrokkene niet geschikt zijn. Met betrekking tot de beheersing van de Nederlandse taal stelt de Raad op grond van de stukken allereerst vast dat betrokkene de Nederlandse taal in elk geval op eenvoudig niveau mondeling en schriftelijk beheerst. Het klantencontact en de eenvoudige administratieve taken zal hij daarom in zijn laatst verrichte arbeid goed hebben kunnen vervullen. De vraag is of zijn niveau van beheersing van de Nederlandse taal voldoende is voor de functies A en C. Dat zijn functies die blijkens de formulieren Resultaat Functiebeoordeling eisen stellen aan de beheersing van de Nederlandse taal, die zwaarder zijn dan de eisen die aan de laatst verrichte arbeid van betrokkene worden gesteld. Zo moeten in beide functies administratieve werkzaamheden worden verricht en is in beide functies sprake van zowel mondeling als schriftelijk contact met cliënten. Naar het de Raad voorkomt zullen deze werkzaamheden in de functies A en C in woord en geschrift zonder fouten moeten worden uitgevoerd. En uit de stukken en het verhandelde ter zitting is de Raad gebleken dat betrokkene hieraan niet voldoet. Anders dan appellant heeft aangevoerd, blijkt uit de voortgangsrapportage van 30 juni 2009 van het re-integratiebedrijf van problemen met de beheersing van de Nederlandse taal. In zijn beschrijving van de ondernomen activiteiten vermeldt de consulent van het re-integratiebedrijf de constatering van een school dat Nederlandse spreekvaardigheid van betrokkene onvoldoende is om les te kunnen geven of om te kunnen assisteren als klassenassistent. Overigens is deze constatering ook opgenomen in het rapport van de arbeidsdeskundige van 3 september 2010, onder punt 7 ‘Arbeidskundig persoonsprofiel’. Anders dan van de zijde van appellant ter zitting is aangevoerd, valt niet in te zien dat de eisen die aan de spreekvaardigheid worden gesteld bij de uitvoering van de werkzaamheden in het onderwijs niet te vergelijken zijn met de aan de uitvoering van de werkzaamheden in de functies A en C gestelde eisen. Uit het voorgaande volgt dat betrokkene niet voldoet aan de eisen in de functies A en C met betrekking tot de beheersing van de Nederlandse taal. Reeds hierom zijn deze functies voor betrokkene niet geschikt, zodat niet wordt toegekomen aan de beoordeling van de eisen die in functie C worden gesteld aan het bedienen van toetsenbord en muis van een computer.

4.3.

Uit 4.1 en 4.2 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.

5.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht appellant te veroordelen in de proceskosten van betrokkene in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 944,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

  • -

    veroordeelt appellant in de proceskosten van betrokkene tot een bedrag van € 944,-;

  • -

    bepaalt dat van appellant een griffierecht van € 454,- wordt geheven.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en K. Wentholt en

B.W.N. de Waard als leden, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) H.J. Dekker

QH