Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1882

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
27-09-2013
Datum publicatie
01-10-2013
Zaaknummer
12-6340 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Herziening WAO-uitkering. FML juist vastgesteld. Onvoldoende onderbouwd op grond waarvan de door het Uwv vastgestelde beperkingen zouden zijn onderschat. Appellant voldoet aan de voor de functies geldende diploma-eis. De gevolgen van het CVA zijn meegewogen bij de beoordeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/6340 WAO en 12/6342 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van

5 oktober 2012, 08/379 en 11/335 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S.T. Dieters, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 juli 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Dieters. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. D. de Jong.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant is in oktober 1992 met rugklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als vrachtwagenchauffeur. Later zijn schouder-, nek- en psychische klachten ontstaan. Na het doorlopen van de wettelijke wachtperiode is aan appellant met ingang van 17 september 1993 een uitkering krachtens de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Nadien is de uitkering herzien, laatstelijk naar de arbeidsongeschiktheidklasse 15 tot 25%. Bij besluit van 31 maart 2006 heeft het Uwv na een herbeoordeling op grond van het aangepaste Schattingsbesluit (aSb) de WAO-uitkering van appellant met ingang van 31 mei 2006 ingetrokken.


1.2. Bij besluit van 8 april 2008 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen het besluit van 1 november 2007, waarbij aan appellant is meegedeeld dat het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid na een medisch en arbeidskundig onderzoek op basis van het oude Schattingsbesluit (oSb) met ingang van 22 februari 2007 onveranderd heeft vastgesteld op minder dan 15%.

1.3. In beroep heeft appellant aangevoerd dat in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 25 september 2007 een te rooskleurig beeld is geschetst van zijn arbeidsmogelijkheden en dat de geselecteerde functies niet door hem vervuld kunnen worden. Een bevestiging van dat standpunt heeft appellant gezien in een overgelegde verklaring van re-integratieadviseur

J. Duursma. Verder is namens appellant een rapport van medisch adviseur D.J. Schakel van 23 oktober 2008 in geding gebracht. Hierin is gesteld dat de psychische beperkingen en de rugklachten van appellant onderbelicht zijn gebleven. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij rapport van 22 december 2008 het ingenomen standpunt gehandhaafd.

1.4. Op 21 augustus 2009 heeft revalidatiearts P.C.Th. van Aanholt op verzoek van de rechtbank rapport uitgebracht. Hij heeft appellant op 22 februari 2007 beperkt geacht voor werkzaamheden waarbij de rug zwaar wordt belast. Ook werkzaamheden waarbij hij zijn rechterhand intensief moet gebruiken zijn voor hem minder geschikt. Hij heeft een urenbeperking niet noodzakelijk geacht. Van Aanholt heeft twee van de geselecteerde functies vanwege een te grote handbelasting verworpen.

1.5. De bezwaarverzekeringsarts heeft op 29 september 2009 een nieuwe FML vastgesteld. De bezwaararbeidsdeskundige heeft bij rapport van 8 oktober 2009 de door Van Aanholt verworpen functies laten vervallen en appellant onverkort geschikt bevonden voor de functie van meteropnemer met SBC-code 315181, parkeercontroleur met SBC-code 342022 en bezorger pakketten met SBC-code 111230. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op ruim 28%. Bij besluit van 22 december 2009 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv - onder intrekking van bestreden besluit 1 voor zover betrekking hebbend op de mate van arbeidsongeschiktheid - het bezwaar tegen het besluit van 1 november 2007 met vergoeding van kosten van bezwaar gegrond verklaard en de mate van arbeidsongeschiktheid met ingang van 22 februari 2007 vastgesteld op 25 tot 35%.

1.6. Appellant heeft zich ook met deze vaststelling niet kunnen verenigen en heeft in dat verband een commentaar van Schakel van 12 april 2010 ingezonden. De rechtbank heeft met toepassing van artikel 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bestreden besluit 2 bij de beoordeling betrokken.

1.7. Op verzoek van de rechtbank heeft Van Aanholt op 8 september 2010 zijn zienswijze op de FML van 29 september 2009 gegeven. Ten aanzien van een aantal aspecten heeft Van Aanholt een nadere aanscherping van de belastbaarheid aangewezen geacht. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij rapport van 3 november 2010 de suggesties van

Van Aanholt overgenomen en opgenomen in een FML van 10 november 2010. Vergeleken met de FML van 29 september 2009 zijn er in de rubrieken 4 (dynamische handelingen) en

5 (

statische houdingen) meer beperkingen vastgesteld. Vervolgens heeft de bezwaararbeidsdeskundige bij rapport van 12 november 2010 de schatting van de mate van arbeidsongeschiktheid gebaseerd op andere, binnen de SBC-codes 342022 en 111230 voorkomende functies, en op grond daarvan de mate van arbeidsongeschiktheid becijferd op 15 tot 25%. Het beroep tegen bestreden besluit 2 moet volgens het Uwv dan ook ongegrond worden verklaard.

2.1.

Op 2 februari 2010 heeft appellant in verband met een opname op 9 augustus 2009 in het UMCG vanwege een CVA met ingang van die datum bij het Uwv melding gemaakt van een verslechterde gezondheid.

2.2.

Bij besluit van 30 juni 2010 heeft het Uwv onder verwijzing naar de beoordeling die heeft geleid tot bestreden besluit 2, vastgesteld dat de WAO-uitkering niet wordt herzien, maar ongewijzigd wordt voortgezet naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

2.3.

In bezwaar heeft de bezwaarverzekeringsarts informatie opgevraagd bij de huisarts van appellant. In een brief van 8 oktober 2010 heeft de huisarts vermeld dat blijkens informatie van het UMCG sprake is van restloos herstel na het CVA en van dubbelzien bij drukke momenten. De bezwaarverzekeringsarts heeft, mede op basis van onderzoek van appellant, geoordeeld dat appellant als gevolg van de restklachten (geheugen- en concentratie problemen) van de door hem doorgemaakte CVA als toegenomen beperkt moet worden aangemerkt en in dat verband een nieuwe FML van 3 november 2010 opgesteld. Anders dan in de FML van

10 november 2010, zijn in deze FML beperkingen in rubriek 1 opgenomen (persoonlijk functioneren). De bezwaararbeidsdeskundige heeft bij onderzoek van 2 december 2010 vastgesteld dat de eerder geselecteerde functies met SBC-code 315181, de meteropnemer, en SBC-code 111230, de bezorger pakketten, ongewijzigd geschikt zijn. Voor de eerder geduide functie van parkeercontroleur met SBC-code 342022 is de functie van samensteller metaalwaren met SBC-code 264140 in de plaats gesteld. De mate van arbeidsongeschiktheid per einde wachttijd, 6 september 2009, is vastgesteld op 15 tot 25%.

Appellant heeft in reactie hierop en met verwijzing naar een rapport van Schakel van 6 januari 2011 gesteld, dat appellant volgens het rapport van Van Aanholt in staat moet worden gesteld te kunnen vertreden. In de functie van samensteller metaalwaren zou daartoe onvoldoende gelegenheid bestaan. Voorts heeft Schakel gesteld dat de psychische belastbaarheid onderbelicht is gebleven. Nadat de bezwaarverzekeringsarts in een rapport van 1 februari 2011 heeft toegelicht wat onder het begrip vertreden wordt verstaan en de bezwaararbeidsdeskundige bij rapport van 11 februari 2011 heeft gemotiveerd op grond waarvan in die functie voldoende gelegenheid voor vertreden bestaat, heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 30 juni 2010 bij besluit van 14 februari 2011

(bestreden besluit 3) ongegrond verklaard. De mate van arbeidsongeschiktheid is met inachtneming van een uitlooptermijn met ingang van 4 februari 2011 herzien naar de klasse 15 tot 25%.

3.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen bestreden besluit 1

niet-ontvankelijk verklaard vanwege het ontbreken van een procesbelang en beslissingen genomen over vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het beroep tegen de bestreden besluiten 2 en 3 heeft de rechtbank ongegrond verklaard.

3.2.

De rechtbank heeft ten aanzien van bestreden besluit 2 overwogen dat het Uwv bij het vaststellen van de beperkingen van appellant, laatstelijk in de FML van 3 november 2010, voldoende is tegemoetgekomen aan de door Van Aanholt opgeworpen punten die bijstelling zouden behoeven. Ook de medische grondslag van bestreden besluit 3 heeft de rechtbank onderschreven. Verder heeft de rechtbank de arbeidskundige beoordelingen die aan de bestreden besluiten 2 en 3 ten grondslag hebben gelegen als juist beoordeeld.


4.1. In hoger beroep tegen bestreden besluit 2 heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank in haar overwegingen nauwelijks is ingegaan op het rapport van Schakel van 6 januari 2011. Verder heeft appellant gesteld dat het Uwv te weinig beperkingen heeft vastgesteld ten aanzien van het persoonlijk en sociaal functioneren en de voorgehouden functies aan appellant om die reden niet kunnen worden opgedragen. Wat betreft de functie met SBC-code 342022 heeft appellant gesteld dat deze vanwege een strikte diploma-eis niet geduid had mogen worden. Verder heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank heeft verzuimd het Uwv te veroordelen in de kosten verbonden aan het opstellen van het rapport van 23 oktober 2008 van medisch adviseur Schakel.

4.2.

Ten aanzien van bestreden besluit 3 heeft appellant zijn gronden dat er meer beperkingen op het psychische vlak moeten worden aangenomen en dat in de functie van samensteller metaalwaren onvoldoende gelegenheid bestaat om te vertreden, herhaald.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.1.

Ten aanzien van bestreden besluit 2 wordt overwogen dat de rechtbank diverse malen de door haar geraadpleegde deskundige Van Aanholt opnieuw heeft gevraagd te reageren op de FML’s die het Uwv naar aanleiding van de door die deskundige gemaakte kanttekeningen heeft opgesteld. Ten aanzien van de FML van 29 september 2009 had Van Aanholt (rapport van 8 september 2010) de beperkingen van appellant uitsluitend op de aspecten 4.9 tot en met 4.11, 4.14, 4.23 4.24 en 5.1 en 5.5 als verdergaand gekwalificeerd. Op grond hiervan heeft het Uwv op 10 november 2010 een FML opgesteld, waarin met al deze aspecten rekening is gehouden. Appellant heeft zich onder verwijzing naar het rapport van de door hem ingeschakelde medisch adviseur Schakel van 6 januari 2011 op het standpunt gesteld dat er meer beperkingen ten aanzien van sociaal en persoonlijk functioneren aangenomen hadden moeten worden. Hierin wordt geen reden gezien de FML van 10 november 2010, waarbij de beperkingen van appellant met ingang van 22 februari 2007 zijn vastgesteld, voor onjuist te houden. In het rapport van Schakel is onvoldoende onderbouwd op grond waarvan de door het Uwv - overeenkomstig de voorgestane wijzigingen van Van Aanholt - vastgestelde beperkingen zouden zijn onderschat.

5.2.

Ten aanzien van de diploma-eis, die voor enkele functies behorende tot

SBC-code 342022 geldt, heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat appellant niet beschikt over een MBO niveau 2 diploma en dat de betreffende functies appellant om die reden niet kunnen worden opgedragen. In dit verband heeft de bezwaararbeidsdeskundige op 2 november 2011 toegelicht dat het door appellant behaalde Mavo diploma een diploma betreft op niveau 3, wat onder meer vergelijkbaar is met de huidige Assistenten- en Basisberoepsopleidingen MBO (niveau 1 en 2), afgesloten met een diploma. Op grond hiervan voldoet appellant volgens de bezwaararbeidsdeskundige aan de voor die functie geldende diploma-eis. Er wordt geen reden gezien aan de juistheid van deze toelichting te twijfelen. Deze grond slaagt daarom niet.

5.3.

Ten aanzien van hetgeen appellant met betrekking tot bestreden besluit 3 heeft aangevoerd wordt als volgt overwogen. Anders dan appellant heeft betoogd, hebben de verzekeringsartsen van het Uwv de gevolgen van het CVA meegewogen bij de beoordeling en naar aanleiding hiervan beperkingen opgenomen in de FML. Dat appellant meer beperkt is, is door appellant - onder verwijzing naar zijn adviseur Schakel - niet nader onderbouwd. De door Schakel genoemde klachten van appellant zijn door de verzekeringsarts onderkend. Deze grond faalt.

5.4.

Inzake de door appellant gestelde noodzaak om te kunnen vertreden wordt als volgt overwogen. In het rapport van 1 februari 2011 heeft de bezwaarverzekeringsarts toegelicht dat onder het begrip vertreden wordt verstaan zitten, afgewisseld met even staan, rekken, enkele stappen lopen, niet te lang in een gefixeerde houding zitten. Actief zitten, regelmatig van houding veranderen en enkele stappen lopen wordt voldoende geacht. Anders dan appellant meent is de bezwaarverzekeringsarts van oordeel dat geen sprake is van een noodzaak om ter recuperatie enkele minuten aaneengesloten te lopen. De door de bezwaarverzekeringsarts gegeven invulling aan het begrip vertreden is in overeenstemming met de systematiek van het CBBS. De bewaararbeidsdeskundige heeft de functie van samensteller metaalwaren op dit aspect nader onderzocht en in het rapport van 11 februari 2011 geoordeeld dat vertreding zoals bedoeld door de bezwaarverzekeringsarts in deze functie mogelijk is. Er bestaat geen aanleiding deze onderbouwing niet te volgen.

5.5.

Tot slot wordt ten aanzien van het gestelde verzuim van de rechtbank om het Uwv te veroordelen in de kosten van het uitbrengen van het rapport door Schakel van

23 oktober 2008 overwogen dat niet van een dergelijk verzoek aan de rechtbank is gebleken, zodat ook deze grond wordt verworpen.

5.6.

Uit overweging 5.1 tot en met 5.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten en met verbetering van gronden dient te worden bevestigd.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en M.C. Bruning en K. Wentholt als leden, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2013.

(getekend) J.W. Schuttel

(getekend) K.E. Haan

EH