Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1871

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2013
Datum publicatie
27-09-2013
Zaaknummer
13-1087 AW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft het college appellant met ingang van 1 februari 2012 boventallig verklaard op de grond dat zijn takenpakket met de bijbehorende formatie per 1 januari 2012 is komen te vervallen. Indien in de herplaatsingsfase geen nieuw passend of geschikt werk binnen of buiten te gemeente wordt gevonden, zal appellant ontslag worden aangezegd per 1 oktober 2013. Niet is gebleken van passende of geschikte functies waarop appellant had kunnen worden geplaatst. Het college was gehouden om appellant boventallig te verklaren. Er zijn geen aanwijzingen dat de gezondheidstoestand van appellant van invloed is geweest op de beslissing om de huismeesterstaak te laten vervallen of om hem niet voor een andere passende of geschikte functie in aanmerking te laten komen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

13/1087 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 9 januari 2013, 12/812 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Hengelo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. van Karnebeek hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2013. Appellant is verschenen met bijstand van mr. Van Karnebeek. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Akman en F. ter Huurne.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant was werkzaam als medewerker facilitaire zaken bij de afdeling Facilitaire Zaken van de gemeente Hengelo. Deze functie is ingedeeld in het generieke functieprofiel Uitvoerend Medewerker C.

1.2.

Bij besluit van 27 februari 2012 heeft het college appellant met ingang van 1 februari 2012 boventallig verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat zijn takenpakket met de bijbehorende formatie per 1 januari 2012 is komen te vervallen. Aangegeven is dat voor appellant van 1 februari 2012 tot 1 november 2012 een herplaatsingsfase geldt, waarin samen met hem aan de hand van een re‑integratieplan wordt gezocht naar nieuw passend of geschikt werk binnen of buiten de gemeente. Indien dit niet wordt gevonden, zal appellant ontslag worden aangezegd per 1 oktober 2013.

1.3.

Bij besluit van 3 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het college het hiertegen gerichte bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant ongegrond verklaard.

3.

Naar aanleiding van hetgeen in hoger beroep is aangevoerd, overweegt de Raad als volgt.

3.1.

In hoofdstuk 28 van de Hengelose Arbeidsvoorwaardenregeling (HAR) is het Sociaal Statuut gemeente Hengelo 2011 (Sociaal Statuut) neergelegd.

In artikel 28:1:3:2, eerste lid, van het Sociaal Statuut is voorgeschreven dat het college, bij het nemen van (plaatsings)besluiten ten aanzien van de ambtenaren die betrokken zijn bij een organisatiewijziging, de volgende voorkeursvolgorde hanteert:

1) de ambtenaar blijft zijn eigen, ongewijzigde functie vervullen;

2) de ambtenaar wordt overgeplaatst naar een passende functie binnen de gemeente;

3) de ambtenaar wordt overgeplaatst naar een geschikte functie binnen de gemeente.

Ingevolge artikel 28:1:4:1, derde lid, neemt het college, als het er tijdens de plaatsingsfase niet in slaagt de ambtenaar een passende dan wel geschikte functie aan te bieden binnen de gemeente, na een bedenkingenprocedure een definitief besluit tot boventalligverklaring van de ambtenaar. In het vierde lid is bepaald dat na dit besluit voor de ambtenaar een herplaatsingsfase van negen maanden aanbreekt.

3.2.

Blijkens de gedingstukken en het verhandelde ter zitting omvat de generieke functie Uitvoerend Medewerker C (1,8 fte) twee takenpakketten. Appellant vervulde de taak van [naam taak] (1,0 fte) en een collega de taak van receptionist (0,8 fte). Aannemelijk is geworden, dat de werkzaamheden van de [naam taak] in de afgelopen jaren zijn teruggelopen tot niet meer dan vier à vijf uren per week. Appellant heeft daar in een functioneringsgesprek in november 2010 zelf over geklaagd. De opvatting van het college dat  in het kader van de noodzakelijke bezuiniging  de huismeesterstaak als zodanig kan verdwijnen en de resterende werkzaamheden over de bodes kunnen worden verdeeld, kan niet voor onjuist worden gehouden. De functie van appellant, het samenstel van zijn werkzaamheden als [naam taak], is daarmee opgeheven. Niet bestreden is, dat de taken van de receptionist nagenoeg ongewijzigd blijven. Onder deze omstandigheden heeft het college zich terecht op het standpunt gesteld dat niet appellant maar de receptionist op grond van de voorgeschreven voorkeursvolgorde in aanmerking komt om op de resterende 0,8 fte te worden geplaatst. Anders dan appellant kennelijk meent, is een sollicitatieprocedure daarbij niet aan de orde. Ook is anciënniteit hier geen maatstaf.

3.3.

Niet is gebleken van passende of geschikte functies waarop appellant had kunnen worden geplaatst. De formeel nog openstaande functie van bode (0,8 fte) zal waarschijnlijk eveneens worden wegbezuinigd. Bovendien acht het college appellant niet geschikt voor de bodefunctie, omdat hij daarin veel met het publiek in contact zou komen. De Raad kan deze zienswijze billijken, te meer nu appellant in het verleden al eens voor die functie is afgewezen.

3.4.

Daarmee was aan de voorwaarden van artikel 28:1:4:1, derde lid, van het Sociaal Statuut voldaan. Het college was dus gehouden om appellant boventallig te verklaren.

3.5.

Dat appellant sinds oktober 2011 arbeidsongeschikt is en dat daarbij  mogelijk  de uitoefening van de dienst een rol heeft gespeeld, maakt het vorenstaande niet anders. Artikel 28:1:4:1, derde lid, van het Sociaal Statuut is dwingend geformuleerd. Arbeidsongeschiktheid kan op zichzelf geen grond opleveren om toepassing van deze bepaling achterwege te laten. Evenmin zijn er aanwijzingen dat de gezondheidstoestand van appellant van invloed is geweest op de beslissing om de huismeesterstaak te laten vervallen of om hem niet voor een andere  passende of geschikte  functie in aanmerking te laten komen.

3.6.

Het vaststellen van een herplaatsingsfase van 1 februari tot 1 november 2012 is in overeenstemming met artikel 28.1.4.1, vierde lid, van het Sociaal Statuut. Ook deze bepaling laat geen ruimte om  reeds op voorhand  met arbeidsongeschiktheid van de betrokkene rekening te houden.

3.7.

Het hoger beroep treft dus geen doel. De aangevallen uitspraak komt voor bevestiging in aanmerking.

4.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en H.A.A.G. Vermeulen als leden, in tegenwoordigheid van P.J.M. Crombach als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2013.

(getekend) A. Beuker-Tilstra

(getekend) P.J.M. Crombach

HD