Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1869

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2013
Datum publicatie
27-09-2013
Zaaknummer
12-3001 MAW
Rechtsgebieden
Ambtenarenrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Betrokkene heeft gesolliciteerd naar de functie van Hoofd Bureau Materieel en Logistiek, district Schiphol. De districtscommandant heeft betrokkene bij besluit, zonder hem eerst uit te nodigen voor een sollicitatiegesprek, afgewezen voor deze functie. De adviescommissie functietoewijzing heeft vervolgens alsnog met betrokkene een sollicitatiegesprek gevoerd en een advies uitgebracht. De Raad volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat niet is onderbouwd waarom betrokkene op de competentie communicatie tekort zou schieten. De rechtbank wordt evenmin gevolgd in haar oordeel dat betrokkene volgens het beleid van de minister voor toewijzing in aanmerking zou moeten komen. Het hoger beroep slaagt. De rechtbank heeft appellant ten onrechte opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3001 MAW, 12/3704 MAW

Datum uitspraak: 26 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van

11 april 2012, 11/5957 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

de Minister van Defensie (appellant)

[Naam betrokkene] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een nota van de commandant van de Koninklijke Marechaussee van 29 april 2011 (nota) ingezonden.

Namens betrokkene heeft [B.] een verweerschrift ingediend en een nader stuk ingezonden.

Appellant heeft een nieuwe beslissing op bezwaar van 26 juni 2012, genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, ingezonden. [B.] heeft hierop, namens betrokkene, een reactie gegeven.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2013. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S. van der Vlist, mr. T.A. Groenewoud en M.P. Vervenne. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door [B.].

OVERWEGINGEN

1.1. Betrokkene is werkzaam bij de Koninklijke Marechaussee in de rang van [naam rang]. Vanaf 1 juni 2010 was hij intern herplaatsingskandidaat.

1.2. Betrokkene heeft op 30 juni 2010 gesolliciteerd naar de functie van Hoofd Bureau Materieel en Logistiek, district Schiphol. De districtscommandant heeft betrokkene bij besluit van 21 oktober 2010, zonder hem eerst uit te nodigen voor een sollicitatiegesprek, afgewezen voor deze functie. Betrokkene heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

1.3. De adviescommissie functietoewijzing (adviescommissie) heeft vervolgens alsnog met betrokkene een sollicitatiegesprek gevoerd en op 17 december 2010 een advies uitgebracht.

Daarin heeft zij geconcludeerd dat de kennis van betrokkene van de materiële en logistieke processen van voldoende niveau is, maar dat de presentatie en communicatie van betrokkene als dominant worden ervaren. De adviescommissie ziet in deze houding risico’s die de arbeidsomstandigheden en de contacten met klanten ongunstig kunnen beïnvloeden.

1.4. De commandant Koninklijke Marechaussee heeft appellant bij brief van 4 januari 2011 een nadere motivering gegeven van de afwijzing, onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie.

1.5. Appellant heeft het besluit van 21 oktober 2010 gehandhaafd bij besluit van 9 juni 2011 (bestreden besluit) en hieraan ten grondslag gelegd dat een selectie is gemaakt en dat de overige kandidaten in meerdere mate voldoen aan de functie-eisen. Daarbij is gelet op gevolgde opleidingen en ervaring op het gebied van materiaal, logistiek en leidinggeven.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. De minister heeft in het bestreden besluit ten onrechte nagelaten in te gaan op de bezwaren, zoals naar voren gebracht tijdens de hoorzitting op 10 januari 2011, gericht tegen de nadere motivering van de afwijzing in de brief van

4 januari 2011. De rechtbank stelde vast dat volgens eigen beleid van appellant, inhoudende dat horizontale functietoewijzing boven verticale functietoewijzing gaat, betrokkene voor toewijzing in aanmerking zou moeten komen en oordeelde dat appellant onvoldoende heeft gemotiveerd waarom van dit uitgangspunt is afgeweken. Het advies van de adviescommissie kan hiervoor niet volstaan, omdat in dit advies niet is onderbouwd waarom betrokkene op de competentie communicatie tekort zou schieten. De rechtbank heeft appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep, op hierna te bespreken gronden, tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Appellant heeft betoogd dat de rechtbank had moeten oordelen dat betrokkene geen belang had bij zijn beroep, omdat hij na zijn afwijzing is benoemd in een andere functie. Dit betoog wordt niet gevolgd. Betrokkene heeft gesteld, wat op voorhand niet onaannemelijk is te achten, dat hij door het in geding zijnde besluit schade heeft geleden. Daarbij moet mede acht geslagen worden op de omstandigheid dat hij in de functie waarin hij uiteindelijk is benoemd voor zijn woon-werkverkeer een aanzienlijk langere reisafstand dient af te leggen.

4.2.

De gegrondverklaring van het beroep en de vernietiging van het bestreden besluit worden niet betwist. Appellant legt zich neer bij het oordeel van de rechtbank dat in het bestreden besluit ten onrechte niet is ingegaan op de bezwaren gericht tegen de nadere motivering van de afwijzing van 4 januari 2011.

4.3.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand had moeten laten. Hij heeft aangevoerd dat betrokkene weliswaar voldoet aan de functie-eisen, in die zin dat de kennis van betrokkene van de materiële en logistieke processen van voldoende niveau is, maar dat betrokkene tijdens het gesprek met de adviescommissie er blijk van heeft gegeven tekort te schieten in zijn communicatie. Appellant verwijst daarvoor naar het advies van 17 december 2010.

4.4.

De beslissing van het bestuursorgaan in een sollicitatieprocedure is het resultaat van een beoordeling van de capaciteiten van de betrokkene tegen de achtergrond van de functie-eisen. Daarbij heeft het bestuursorgaan beoordelingsvrijheid. Daarom is de toetsing door de rechter terughoudend en beperkt tot de vraag of het bestuursorgaan niet in redelijkheid tot zijn oordeel heeft kunnen komen.

4.5.

De Raad is van oordeel dat de onder 4.3 weergegeven motivering van de afwijzing deze terughoudende toetsing kan doorstaan en volgt de rechtbank niet in haar oordeel dat niet is onderbouwd waarom betrokkene op de competentie communicatie tekort zou schieten. Hierbij is van betekenis dat de adviescommissie haar advies beknopt, maar toereikend heeft gemotiveerd aan de hand van het verloop van het gesprek en de opstelling van betrokkene. Verder blijkt uit het advies dat alle kandidaten op gelijke wijze zijn beoordeeld op de competentie communicatie. Bovendien is namens de minister overtuigend naar voren gebracht dat de wijze van communicatie relevant is voor de uitoefening van de functie, aangezien de toegewezen kandidaat wordt belast met leidinggevende taken.

4.6.

Het is invoelbaar dat betrokkene, doordat hij in een laat stadium bij de sollicitatieprocedure is betrokken en vanwege eerdere afwijzingen, zich nadrukkelijk heeft willen manifesteren in het sollicitatiegesprek. Dit neemt niet weg dat de adviescommissie mocht afgaan op de inhoud en verloop van het gesprek en dat de minister hieraan doorslaggevende betekenis mocht toekennen.

4.7.

De rechtbank wordt evenmin gevolgd in haar oordeel dat betrokkene volgens het beleid van de minister, inhoudende dat horizontale functietoewijzing boven verticale functietoewijzing gaat, voor toewijzing in aanmerking zou moeten komen. Betrokkene had van de kandidaten weliswaar als enige de rang van [naam rang], maar het beleid bood appellant de mogelijkheid om af te wijken van de regel dat horizontale functietoewijzing voor verticale functietoewijzing gaat, indien verschillen tussen kandidaten op/voor de functie relevante competenties hiertoe aanleiding geven. Appellant mocht in dit geval van deze uitzondering gebruik maken. De nota van 29 april 2011 brengt hierin geen wezenlijke verandering. In deze nota is vastgelegd dat, vanwege bezuinigingen, de regel van horizontale functietoewijzing extra gewicht krijgt. Niettemin biedt ook dit nieuwe beleid de mogelijkheid om een uitzondering te maken, waardoor de vraag of dit nieuwe beleid op betrokkene van toepassing is onbesproken kan blijven.

4.8.

Uit 4.3 tot en met 4.7 volgt dat het hoger beroep slaagt. De rechtbank heeft appellant ten onrechte opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak in zoverre niet in stand kan blijven. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

4.9.

Het voorgaande brengt met zich dat aan de ter uitvoering van de aangevallen uitspraak genomen beslissing op bezwaar van 26 juni 2012, die de Raad op de voet van artikel 6:19 van de Awb in dit geding mede beoordeelt, de grondslag is komen te ontvallen, zodat dit besluit moet worden vernietigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat appellant een nieuwe

beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van die uitspraak;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 9 juni 2011 in stand blijven;

- vernietigt het besluit van 26 juni 2012.

Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en F.A.M. Stroink en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van J.T.P. Pot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2013.

(getekend) N.J. van Vulpen-Grootjans

(getekend) J.T.P. Pot

HD