Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1866

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2013
Datum publicatie
27-09-2013
Zaaknummer
12-5222 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft het college appellant bijstand verleend ingevolge de WWB met ingang van de datum waarop appellant zich heeft gemeld bij het UWV Werkbedrijf. Bij dit besluit heeft het college tevens de bijstand van appellant met met 100 procent verlaagd voor de duur van één maand. Aan de verlaging heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant door eigen toedoen zijn baan is kwijtgeraakt. Vaststaat dat appellant als gevolg van zijn ontslagname een beroep heeft moeten doen op algemene bijstand. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat bij zijn ontslagname iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Uit het voorgaande vloeit voort dat het college gehouden is de bijstand te verlagen met 100% voor de duur van één maand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/160
RSV 2013/283
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/5222 WWB

Datum uitspraak: 26 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van
15 augustus 2012, 12/1117 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A.R.A.R. Sitaldin, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2013. Voor appellant is, daartoe opgeroepen, verschenen mr. G.P. Dayala, kantoorgenoot van mr. Sitaldin. Het college, eveneens daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. van Kesteren.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant was sinds 1 januari 1999 voor onbepaalde tijd in dienst bij de KLM als [naam functie]. Op 10 mei 2011 heeft appellant een brief ondertekend waarin is vastgelegd dat hij per 20 juni 2011 ontslag neemt. Deze brief is ook ondertekend door de leidinggevende van appellant en een getuige. Appellant heeft bij de kantonrechter de nietigheid van het ontslag ingeroepen op de grond dat hij niet zelf het ontslag had aangevraagd, maar zonder succes.

1.2.

Bij besluit van 10 november 2011 heeft het college appellant bijstand verleend ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van 27 september 2011, de datum waarop appellant zich heeft gemeld bij het UWV Werkbedrijf. Bij dit besluit heeft het college tevens de bijstand van appellant met ingang van 1 december 2011 met 100 procent verlaagd voor de duur van een maand. Aan de verlaging heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant door eigen toedoen zijn baan is kwijtgeraakt.

1.3.

Bij besluit van 24 januari 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 10 november 2011 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling

4.1.1. Het college heeft de opgelegde verlaging van de bijstand gebaseerd op artikel 9, eerste lid, en artikel 18, tweede lid, van de WWB en artikel 8, derde lid, onder a en b en artikel 7, eerste lid, onder c, van de Maatregelverordening Inkomensvoorzieningen van de gemeente Amsterdam (Maatregelverordening).

4.1.2. Artikel 8, derde lid, onder a en b, van de Maatregelverordening luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“a. Het niet nakomen van de arbeidsverplichtingen omvat de volgende gedragingen:

(…)

- zich zodanig gedragen dat een baan niet verkregen wordt of door eigen toedoen werk, stage of vrijwilligerswerk niet behouden wordt.

b. In geval van het niet nakomen van bovengenoemde verplichtingen wordt een maatregel van de tweede categorie opgelegd.”

Aan deze categorie is volgens artikel 7, eerste lid, onder c, van de Maatregelverordening de maatregel verbonden van verlaging van de bijstand met 100% voor de duur van één maand.

4.1.3. Reeds omdat artikel 8 van de Maatregelverordening ziet op het nakomen van verplichtingen als bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de WWB en, zoals de Raad eerder heeft overwogen (CRvB 10-01-2012, LJN BV1067), de verplichting om arbeid te behouden niet kan worden begrepen onder de in artikel 9, eerste lid, van de WWB neergelegde verplichting om arbeid te aanvaarden, berust de verlaging van de bijstand op een onjuiste grondslag. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigen en voorts beoordelen of de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand kunnen worden gelaten. Daartoe wordt het volgende overwogen.

4.2.1. De Maatregelverordening is op 1 oktober 2011 in werking getreden. Ingevolge artikel 12 van de Maatregelverordening worden maatregelwaardige gedragingen die hebben plaatsgevonden voor de datum van inwerkingtreding van deze verordening beoordeeld naar de regelgeving in de Afstemmingsverordening Inkomensvoorzieningen (Afstemmingsverordening) zoals die gold voor deze datum, tenzij de regels uit de Maatregelenverordening gunstiger zijn voor de belanghebbende.

4.2.2. De maatregelwaardige gedraging die appellant wordt verweten heeft plaatsgevonden op 10 mei 2011, dus voor de inwerkingtreding van de Maatregelenverordening. Dit betekent dat op grond van artikel 12 van de Maatregelverordening de beoordeling moet plaatsvinden naar de regelgeving in de Afstemmingsverordening, tenzij de regels uit de Maatregelverordening gunstiger zijn voor appellant. Zoals het college ter zitting ook heeft erkend, had derhalve getoetst moeten worden welke verordening voor appellant het meest gunstige resultaat zou geven. Bij de Afstemmingsverordening zou de beoordeling volgens het college hebben moeten plaatsvinden aan de hand van artikel 3, terwijl in de Maatregelverordening artikel 11 van toepassing zou zijn.

4.3.1. Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Afstemmingsverordening wordt de bijstand gedurende één maand met 100% verlaagd wanneer de belanghebbende naar het oordeel van het college zeer ernstig is tekortgeschoten in een of meer van de in artikel 2, eerste lid, genoemde opzichten. Ingevolge artikel 3, tweede lid, onder a, van de Afstemmingsverordening is van een zeer ernstig tekortschieten als bedoeld in het vorige lid met name sprake als vaststaat of redelijkerwijs is aan te nemen dat het beroep door belanghebbende op algemene bijstand gedurende meer dan één maand het gevolg is van diens doen of nalaten. Op grond van artikel 5 van de Afstemmingsverordening kan het college de verlaging lager vaststellen als de belanghebbende door het bedrag van de verlaging of het percentage van de verlaging onredelijk zwaar wordt getroffen.

4.3.2. Vaststaat dat appellant als gevolg van zijn ontslagname een beroep heeft moeten doen op algemene bijstand als bedoeld in artikel 3, tweede lid, onder a, van de Afstemmingsverordening.

4.3.3. Appellant heeft aangevoerd dat hij psychische problemen heeft, als gevolg waarvan hem van de maatregelwaardige gedraging geen verwijt kan worden gemaakt, dan wel dat daarin aanleiding had moeten worden gezien om de maatregel te matigen.

4.3.4. Appellant heeft zijn stelling dat hij psychische problemen heeft niet met objectieve gegevens, zoals een verklaring van de huisarts of een verklaring van een behandelend psycholoog, onderbouwd. Appellant heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat bij zijn ontslagname iedere vorm van verwijtbaarheid ontbreekt, als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de WWB. Evenmin heeft appellant aannemelijk gemaakt dat er voor het college aanleiding had moeten zijn om de maatregel te matigen.

4.3.5. Uit het voorgaande vloeit voort dat het college op grond van de Afstemmingsverordening gehouden zou zijn de bijstand te verlagen met 100% voor de duur van één maand.

4.4.1. Ingevolge artikel 11, eerste lid, van de Maatregelverordening wordt een maatregel opgelegd als de belanghebbende voorafgaand of tijdens de uitkeringsverstrekking tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. Op grond van het tweede lid, onder c, van dat artikel wordt bij een benadelingsbedrag van

€ 4.000,-- of meer een maatregel van de tweede categorie opgelegd. Aan deze categorie wordt ingevolge artikel 7, eerste lid, onder c, van de Maatregelverordening de maatregel verbonden van verlaging van de bijstand met 100% voor de duur van één maand. Ter zitting heeft het college toegelicht dat op grond van de beleidsvoorschriften een beoordeling plaatsvindt of er aanleiding is de maatregel te matigen en dat die beoordeling in het geval van appellant ook in het bestreden besluit heeft plaatsgevonden, maar niet tot matiging heeft geleid.

4.4.2. Gelet op wat in 4.3.2 tot en met 4.3.4 is overwogen zou toepassing van de Maatregelenverordening eveneens leiden tot een verlaging van de bijstand van appellant met 100% voor de duur van één maand.

4.5.

Uit 4.3 tot en met 4.4 volgt dat toepassing van de Maatregelverordening voor appellant niet gunstiger is. Nu toepassing van de Afstemmingsverordening leidt tot het opleggen van een maatregel die zowel wat duur als omvang betreft gelijk is aan de maatregel die bij het te vernietigen besluit is opgelegd, zullen de rechtsgevolgen van dat besluit in stand worden gelaten.

5.

Aanleiding bestaat het college te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 944,-- in beroep en op € 944,-- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep:

- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 24 januari 2012;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 1.888,--.

- bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 157,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) A.C. Oomkens

HD