Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1865

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
26-09-2013
Datum publicatie
26-09-2013
Zaaknummer
12-3344 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand op de grond dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over zijn feitelijke woon- en leefsituatie. Hierdoor heeft appellant in onvoldoende mate voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/281
JWWB 2013/158
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3344 WWB

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 3 mei 2012, 11/4313 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. A. Boumanjal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2013. Voor appellant is verschenen mr. S. Wortel, kantoorgenoot van mr. Boumanjal. Het dagelijks bestuur heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Roemers.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant heeft zich op 7 februari 2011 gemeld bij het UWV werkbedrijf voor een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Op 9 maart 2011 heeft appellant de aanvraag om bijstand ingediend. Bij besluit van 7 april 2011 heeft het dagelijks bestuur de aanvraag om bijstand afgewezen op de grond dat appellant onvoldoende informatie heeft verstrekt om het recht op bijstand te kunnen vaststellen.

1.2.

Bij besluit van 17 november 2011 (bestreden besluit) heeft het dagelijks bestuur het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Het dagelijks bestuur heeft zich op het standpunt gesteld dat appellant in onvoldoende mate heeft voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen. Dit geldt zowel voor gegevens ten aanzien van de woon- en leefsituatie van appellant als voor zijn persoonlijke, financiële en maatschappelijke gegevens direct voorafgaand aan de ingediende bijstandsaanvraag.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft, kort samengevat, aangevoerd dat hij voldoende inlichtingen heeft gegeven over zijn woon- en leefsituatie. Hierbij heeft appellant er op gewezen dat wat hij tijdens het gesprek op 30 maart 2011 heeft verklaard overeenkomt met wat tijdens het huisbezoek is waargenomen. Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij voldoende inlichtingen heeft gegeven over zijn financiële situatie.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Voor de vaststelling van het recht op bijstand is het van essentieel belang dat duidelijkheid bestaat over de woon- en leefsituatie van de belanghebbende. De vraag waar iemand woont, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden. In het geval het gaat om een aanvraag om bijstand ligt het op de weg van de aanvrager hierover de nodige duidelijkheid te verschaffen. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Als de belanghebbende niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

4.2.

Appellant heeft bij zijn aanvraag vermeld dat hij een kamer huurt in de woning van zijn vader op het adres [adres 1] te[woonplaats] (uitkeringsadres) en dat de woonkosten daarvoor maandelijks € 325,-- bedragen.

4.3.

Op 30 maart 2011 hebben handhavers van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug appellant gehoord. Hierbij is appellant meegedeeld dat aansluitend een huisbezoek zou worden afgelegd. Na een aanvankelijke weigering van appellant om daaraan mee te werken omdat hij de woning niet in kon omdat hij de sleutels van de woning had meegegeven aan zijn broer, heeft hij alsnog meegewerkt aan het huisbezoek op het uitkeringsadres. Tijdens het huisbezoek is waargenomen dat in de woonkamer een grote hoekbank staat en dat links van de kamerdeur een eenpersoons bed staat, voorzien van een matras en een overtrek. Hierover heeft appellant verklaard dat het eenpersoons bed van zijn broer is, maar dat hij daar zelf in slaapt als zijn broer er niet is. Ook heeft appellant verklaard dat in de woning maar twee van de vijf slaapkamers worden gebruikt en dat hij geen geld heeft om een slaapkamer in te richten. Op de eerste etage is vervolgens tijdens het huisbezoek een was- en kledingkamer waargenomen, waar enige schone kleding van appellant is aangetroffen. Onderkleding of vuile kleding kon appellant niet tonen. Op enkele poststukken van recente datum na, kon appellant verder geen eigen spullen tonen. De bankafschriften die appellant heeft overgelegd, zijn verstuurd naar het adres van zijn ex-vriendin. Deze omstandigheden in onderling verband bezien duiden er niet op dat appellant op het uitkeringsadres woont.

4.4.

Dit wordt ondersteund door de verklaring van de broer van appellant. Deze heeft op

16 maart 2011 ten overstaan van twee handhavers van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug verklaard dat appellant wel eens bij zijn vader langskomt, maar zeker niet op het uitkeringsadres woont. Dat appellant zijn broer hierop heeft aangesproken omdat de inhoud ervan niet juist zou zijn, is onvoldoende om aan de verklaring van de broer geen waarde te hechten. Nog daargelaten dat de broer zijn eigen verklaring niet heeft ingetrokken, is het vaste rechtspraak (CRvB 26 januari 2012, LJN BV2512) dat in het algemeen van de juiste weergave van een tegenover een sociaal rechercheur of handhavingsspecialist afgelegde verklaring mag worden uitgegaan.

4.5.

De verklaring van de broer wordt bovendien bevestigd door wat de vader van appellant naderhand heeft verteld tijdens een gesprek met een medewerker van de Regionale Sociale Dienst Kromme Rijn Heuvelrug. Ook hij verklaart dat appellant niet bij hem in Zeist heeft gewoond. Appellant heeft hier tegenin gebracht dat de verklaring van de vader mogelijkerwijs nader genuanceerd had moeten worden. Nog los van het feit dat dit eerst ter zitting is aangevoerd, heeft appellant dit niet verder onderbouwd zodat hieraan wordt voorbijgegaan.

4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat appellant onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven over zijn feitelijke woon- en leefsituatie. Hierdoor heeft appellant in onvoldoende mate voldaan aan de op hem rustende inlichtingenverplichting als gevolg waarvan het recht op bijstand niet is vast te stellen.

4.7.

Gelet op wat onder 4.6 is overwogen behoeven de gronden van appellant die zien op zijn financiële situatie geen bespreking.

4.8.

Uit 4.6 en 4.7 vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman, in tegenwoordigheid van A.C. Oomkens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 september 2013.

(getekend) J.C.F. Talman

(getekend) A.C. Oomkens

EH