Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1852

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
26-09-2013
Zaaknummer
12-3826 WW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft het Uwv de aan appellant toegekende WW-uitkering herzien en de onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant teruggevorderd op de grond dat appellant werkzaamheden heeft verricht en deze niet heeft doorgegeven aan het UWV. Ambtshalve wordt overwogen dat de hier aan de orde zijnde getrapte wijze van besluitvorming zich niet verdraagt met artikel 7:11 van de Awb, hieruit volgt dat op het bezwaar tegen een primair besluit met één besluit wordt beslist. Als vaststaand wordt aangenomen dat appellant van 12 april 2010 tot en met 23 september 2010 gedurende één uur per dag werkzaamheden heeft verricht in de zin van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW. Zelf zal in de zaak worden voorzien door de WW-uitkering van appellant over de periode van 12 april 2010 tot en met 23 september 2010 met één uur per dag te herzien en door het bedrag van de terugvordering over deze periode vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/3826 WW

Datum uitspraak: 25 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 6 juni 2012, 11/940 WW (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft [naam echtgenote] hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en nadere stukken ingezonden.

Appellant heeft een vraag van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

drs. H. ten Brinke.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellant ontving vanaf 2 februari 2009 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW). In augustus 2010 heeft B.R. van Dijk, inspecteur bij het Uwv, een fraudeonderzoek gestart naar werkzaamheden die appellant zou hebben verricht ten behoeve van de door zijn echtgenote geëxploiteerde ijsverkoopwagen ([naam firma]). Dit onderzoek heeft bestaan uit observaties en een verhoor van appellant. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een onderzoeksrapport van 29 oktober 2010. Volgens een bij dat rapport gevoegd journaal heeft inspecteur Van Dijk bij observaties vastgesteld dat de ijsverkoopwagen op 2, 3, 6 en 29 september 2010 was opgesteld op een carpoolplaats nabij [plaatsnaam].

1.2. Appellant heeft tijdens zijn verhoor verklaard dat hij vanaf april 2010 iedere doordeweekse dag ’s ochtends de ijsverkoopwagen wegbracht om hem te plaatsen op de carpoolplaats en aan het eind van de dag weer ophaalde. In totaal was hij hiermee een half uur tot één uur per dag bezig.

1.3. Bij besluit van 25 november 2010 heeft het Uwv de aan appellant toegekende
WW-uitkering met ingang van 12 april 2010 herzien en over de periode van 12 april 2010 tot en met 3 oktober 2010 een bedrag van € 1.687,86 aan volgens het Uwv onverschuldigd betaalde WW-uitkering van appellant teruggevorderd.

1.4. Bij besluit van 13 mei 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv, voor zover hier van belang, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 november 2010 gedeeltelijk gegrond verklaard en het aantal te korten uren over de periode van 12 april 2010 tot en met 3 oktober 2010 verlaagd van 119 uur naar 96 uur, omdat appellant op 23 dagen niet heeft gewerkt vanwege slecht weer of een cursusdag. Appellant is meegedeeld dat de afdeling handhaving van het Uwv een herberekening zal maken en dat hij daarna zal worden geïnformeerd over het nieuwe terugvorderingsbedrag.

1.5. Bij besluit van 24 mei 2011 heeft het Uwv het terugvorderingsbedrag vastgesteld op
€ 1.335,61.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft voorop gesteld dat de hand- en spandiensten die appellant ten behoeve van de ijsverkoopwagen van zijn echtgenote heeft verricht, hoe gering ook, terecht door het Uwv zijn aangemerkt als activiteiten in de zin van de WW, die op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van die wet op de uitkering in mindering moesten worden gebracht. De rechtbank heeft vastgesteld dat partijen uitsluitend verdeeld zijn over de vraag of appellant in de week na 24 september 2010, de dag waarop de ijsverkoop volgens appellant is gestopt, nog werkzaamheden heeft verricht. Naar het oordeel van de rechtbank mocht het Uwv in beginsel uitgaan van de juistheid van de waarneming van inspecteur Van Dijk op 29 september 2010. Uit de stukken is, aldus de rechtbank, bovendien gebleken dat deze inspecteur, na te zijn geconfronteerd met de bezwaren van appellant, zijn bestreden waarneming heeft gehandhaafd. In hetgeen appellant daartegen heeft aangevoerd zag de rechtbank geen aanleiding om van het hiervoor weergegeven uitgangspunt af te wijken.

3.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt, dat hij vanaf 24 september 2010 geen werkzaamheden meer heeft verricht, gehandhaafd. Ter nadere onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een brief overgelegd van zijn belastingsconsulent [K.] ([K.]) van 29 maart 2013. Daarin heeft [K.] verklaard dat op basis van de hem bekende administratie en vastlegging van gegevens er op 29 september 2010 bij en door [naam firma] geen (verkoop)activiteiten zijn geweest, zodat aanwezigheid van appellant binnen de onderneming of op het verkooppunt niet mogelijk was.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ambtshalve wordt het volgende overwogen. Bij het bestreden besluit heeft het Uwv, voor zover hier van belang, besloten over de herziening en de terugvordering zonder daarbij het nieuwe terugvorderingsbedrag te noemen. Pas bij besluit van 24 mei 2011 heeft het Uwv dit bedrag vastgesteld. Deze getrapte wijze van besluitvorming verdraagt zich niet met artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waaruit volgt dat op het bezwaar tegen een primair besluit met één besluit wordt beslist.

4.2.

De rechtbank heeft dit niet onderkend. De aangevallen uitspraak komt daarom voor vernietiging in aanmerking. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit wegens strijd met artikel 7:11 van de Awb vernietigen.

4.3.

Met het oog op finale beslechting van het geschil zal worden bezien of de zaak inhoudelijk kan worden afgedaan.

4.4.

Het oordeel van de rechtbank dat de hand- en spandiensten die appellant ten behoeve van de ijsverkoopwagen van zijn echtgenote heeft verricht, hoe gering ook, moeten worden aangemerkt als activiteiten in de zin van de WW, die op grond van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van die wet op de uitkering in mindering moeten worden gebracht, wordt onderschreven. Het betreft activiteiten die zijn aan te merken als arbeid die in het economisch verkeer worden verricht en waarmee het verkrijgen van geldelijk voordeel wordt beoogd of volgens de in het maatschappelijk verkeer geldende normen redelijkerwijs kan worden verwacht.

4.5.

Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag of appellant vanaf 24 september 2010 nog werkzaamheden heeft verricht ten behoeve van de exploitatie van de ijsverkoopwagen van zijn echtgenote. Voor een bevestigende beantwoording van deze vraag bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten.

4.6.

Volgens het onderzoeksrapport van inspecteur Van Dijk heeft hij de ijsverkoopwagen van de echtgenote van appellant op 29 september 2010 waargenomen op de carpoolplaats nabij [plaatsnaam]. In het journaal dat de inspecteur van deze waarneming heeft opgemaakt staat tevens vermeld dat hij een jonge vrouw met donker haar in de kraam zag staan.

4.7.

Appellant heeft daar tegenover gesteld dat zijn echtgenote op 24 september 2010 is gestopt met de ijsverkoop. De reden hiervoor was een ziekenhuisopname van de schoonvader van appellant wegens een ernstig hartinfarct, waaraan de schoonvader in de nacht van 25 op 26 september 2010 is overleden. De schoonmoeder van appellant was in diezelfde periode opgenomen in het ziekenhuis in verband met een hersentumor. Hierdoor was het vanaf
24 september 2010 niet mogelijk om bedrijfsactiviteiten uit te voeren. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant een overzicht verstrekt van de omzetcijfers van [naam firma] over de maand september 2010. Daaruit blijkt dat [naam firma] van 24 september 2010 tot en met
30 september 2010 geen omzet heeft gerealiseerd. De in hoger beroep overgelegde verklaring van [K.] is hiermee in overeenstemming. Appellant heeft tevens brieven overgelegd van de drie vrouwelijke medewerkers van [naam firma]. Zij verklaren in de periode van 17 september 2010 tot en met 30 september 2010 geen werkzaamheden voor [naam firma] te hebben verricht. Appellant heeft ook een verklaring overgelegd van[M.], inhoudende dat hij op
30 september 2010 de ijsverkoopwagen van de firma [naam firma] in ontvangst heeft genomen voor de winterstalling. Ook dit wijst er volgens appellant op dat de inspecteur de ijsverkoopwagen nooit op 29 september 2010 kan hebben waargenomen op de carpoolplaats, aangezien met de schoonmaak van de ijsverkoopwagen ten behoeve van de winterstalling in totaal 17 uur was gemoeid.

4.8.

Op grond van de door appellant verstrekte informatie is aannemelijk dat de ijsverkoop door [naam firma] reeds op 24 september 2010 was gestopt. Daaraan doet niet af dat inspecteur van Dijk, nadat hij was geconfronteerd met de informatie van appellant, bij zijn standpunt is gebleven dat hij de bestreden waarneming heeft gedaan. Nu hij daartoe geen nadere toelichting heeft gegeven en de gegevens die aan het journaal van de observaties ten grondslag zijn gelegd niet meer beschikbaar waren en er evenmin ondersteunend bewijsmateriaal is, bijvoorbeeld in de vorm van foto’s, wordt aan die handhaving geen doorslaggevende betekenis toegekend. Daarom wordt als vaststaand aangenomen dat appellant van 12 april 2010 tot en met 23 september 2010 gedurende één uur per dag werkzaamheden heeft verricht in de zin van artikel 20, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW.

4.9.

Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb, zal zelf in de zaak worden voorzien door de WW-uitkering van appellant over de periode van 12 april 2010 tot en met 23 september 2010 met één uur per dag te herzien en door het bedrag van de terugvordering over deze periode vast te stellen op € 1.264,51.

5.

Er bestaat aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. Deze worden begroot op € 51,64 aan reiskosten.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep gegrond;

  • -

    vernietigt het besluit van 13 mei 2011;

  • -

    herziet de WW-uitkering van appellant over de periode van 12 april 2010 tot en met
    23 september 2010 met één uur per dag en stelt het door het Uwv van appellant terug te vorderen bedrag vast op € 1.264,51;

  • -

    bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 13 mei 2011;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 51,64;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 156,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en
M.A. Hoogeveen als leden, in tegenwoordigheid van J.R. Baas als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2013.

(getekend) H.G. Rottier

(getekend) J.R. Baas

EH