Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1851

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
26-09-2013
Zaaknummer
12-6017 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

In mei 2010 heeft appellante een uitkering ingevolge de Wet WIA aangevraagd. Bij besluit heeft het Uwv meegedeeld dat appellante geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA, omdat zij niet als arbeidsongeschikt in de zin van die wet wordt beschouwd. Op grond van de voorliggende CBBS-gegevens, in samenhang met de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten, is voldoende inzichtelijk en toetsbaar onderbouwd dat de voor de beoordeling in aanmerking genomen functies ook werkelijk geschikt zijn te achten voor appellante. Op basis van de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante terecht vastgesteld op minder dan 35%. Het door appellante in hoger beroep ingenomen standpunt dat ten onrechte door de rechtbank geen proceskosten zijn toegekend in verband met het ingebrachte rapport van de door haar ingeschakelde deskundige slaagt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 6017 WIA

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

4 oktober 2012, 11/1432 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te[woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 25 september 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.S. Vlieger, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2013. Namens appellante is mr. Vlieger verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.B. Heij.

OVERWEGINGEN

1.1. Na uitval op 7 juni 1994 wegens psychische en locomotore klachten voor haar werk als gezinsverzorgende gedurende 32 uur per week en als schoonmaakster gedurende 10 uur per week heeft appellante vanaf 26 mei 1995 een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering ontvangen. Deze uitkering is per 17 juni 2004 ingetrokken, omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt werd geacht.

1.2. Op 18 augustus 2008 heeft appellante zich, vanuit de situatie dat zij een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet ontving, toegenomen arbeidsongeschikt gemeld met hartklachten en klachten van het bewegingsapparaat. Na verzekeringsgeneeskundige beoordeling is geconcludeerd dat de afgenomen belastbaarheid niet voortvloeit uit dezelfde ziekte-oorzaak als waarmee in 1995 de wachttijd vervuld is, zodat opnieuw een wachttijd van 104 weken van toepassing is.

1.3. In mei 2010 heeft appellante een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd. De verzekeringsarts heeft het dossier bestudeerd, appellante gezien op het spreekuur op 16 juni 2010 en in haar rapport van diezelfde datum geconcludeerd dat appellante locomotore en energetische beperkingen heeft. In een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 16 juli 2010 is de belastbaarheid van appellante vastgelegd. De arbeidsdeskundige heeft vervolgens in een rapport van 5 augustus 2010 vastgesteld dat appellante niet meer geschikt is voor haar eigen werk, maar nog wel voor een drietal andere functies. Op basis van de drie hoogstverlonende functies heeft zij de mate van arbeidsongeschiktheid berekend op minder dan 35%. Bij besluit van 5 augustus 2010 heeft het Uwv meegedeeld dat appellante met ingang van 16 augustus 2010 geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Wet WIA, omdat zij niet als arbeidsongeschikt in de zin van die wet wordt beschouwd.

1.4. Bij beslissing op bezwaar van 27 november 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 5 augustus 2010, onder verwijzing naar de rapporten van de bezwaarverzekeringsarts en de bezwaararbeidsdeskundige, ongegrond verklaard.

2.1. In beroep heeft de rechtbank bij tussenuitspraak van 24 mei 2012 geoordeeld dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig en volledig is geweest. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat beide artsen dossierstudie hebben verricht en appellante hebben onderzocht. Daarnaast is de bezwaarverzekeringsarts bij de hoorzitting aanwezig geweest en heeft deze arts recente informatie uit de behandelend sector bij zijn beoordeling meegewogen. Voorts heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van de bij appellante vastgestelde beperkingen. Daartoe heeft de rechtbank van belang geacht dat de onderzoeksmethoden, argumentatie en bevindingen van de (bezwaar)verzekeringsarts schriftelijk zijn vastgelegd, dat het onderzoek zorgvuldig en volledig is geweest en dat de conclusies naar behoren zijn gemotiveerd. Nu de door appellante geraadpleegde verzekeringsarts W.M. van der Boog, haar niet zelf heeft gezien en in zijn rapport uitgaat van gemiddeldes en voorts een andere interpretatie geeft aan het aspect reiken dan weergegeven in het CBBS heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om aan het hieromtrent door de bezwaarverzekeringsarts in zijn rapport van 4 januari 2012 ingenomen standpunt te twijfelen. Mitsdien is geoordeeld dat het bestreden besluit op een deugdelijke medische grondslag berust. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank geoordeeld dat het besluit niet kan worden gedragen door de daaraan ten grondslag gelegde motivering, omdat de signaleringen bij de geduide functies niet overtuigend en toereikend zijn toegelicht. Met het oog op finale geschilbeslechting heeft de rechtbank het Uwv in de gelegenheid gesteld om het gebrek te herstellen.

2.2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank met betrekking tot de arbeidskundige grondslag geoordeeld dat zij de door de bezwaararbeidsdeskundige in beroep gegeven toelichting kan volgen en dat afdoende is gemotiveerd dat de belasting van de aan de schatting ten grondslag gelegde functies in overeenstemming is met de in de FML neergelegde beperkingen. Nu een volledig toereikende motivering pas in de beroepsfase is gegeven, heeft de rechtbank aanleiding gezien het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven.

3.

In hoger beroep heeft appellante de aangevallen (tussen) uitspraak bestreden en daarbij verwezen naar de gronden die in beroep zijn aangevoerd. Voorts heeft appellante gesteld dat de rechtbank ten onrechte geen proceskostenvergoeding ter zake van de door haar in de beroepsfase ingeschakelde deskundige heeft toegekend. Daartoe bestond volgens appellante aanleiding, omdat het beroep gegrond werd verklaard.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Hetgeen appellante in hoger beroep met betrekking tot de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft aangevoerd, is een herhaling van gronden die reeds in beroep naar voren zijn gebracht. De rechtbank heeft die gronden afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank volledig. Wat betreft de medische grondslag heeft de bezwaarverzekeringsarts zijn standpunt gebaseerd op dossierstudie, zijn bevindingen tijdens de hoorzitting met aansluitend eigen onderzoek en op recente informatie van de behandelend orthopedisch chirurg, oogarts en huisarts. De bezwaarverzekeringsarts deelt de visie van de verzekeringsarts dat er een discrepantie is tussen enerzijds de subjectieve klachtenbeleving en mate waarin de beperkingen worden geclaimd en anderzijds de objectieve afwijkingen. Wel acht de bezwaarverzekeringsarts, gelet op de aanwezige lumbago en bevindingen bij lichamelijk onderzoek, toevoeging van beperkingen ten aanzien van staan tijdens werk en lopen op zijn plaats, alsmede een toelichting bij geknield/gehurkt actief zijn dat vijf minuten achtereen de grens is. De bezwaarverzekeringsarts heeft hiervoor aanvullende beperkingen opgenomen in de FML van 4 april 2011. Voorts heeft hij bij het aspect frequent buigen, conform de richtlijnen, een wijziging aangebracht. Op de in beroep door appellante aangevoerde gronden heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd met rapporten van 19 oktober 2011 en 4 januari 2012.

Op grond van de voorliggende CBBS-gegevens, in samenhang met de verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten, is voldoende inzichtelijk en toetsbaar onderbouwd dat de voor de beoordeling in aanmerking genomen functies ook werkelijk geschikt zijn te achten voor appellante. Op basis van de rapporten van de bezwaararbeidsdeskundige is de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per

16 augustus 2010 terecht vastgesteld op minder dan 35%.

4.2.

Het door appellante in hoger beroep ingenomen standpunt dat ten onrechte door de rechtbank geen proceskosten zijn toegekend in verband met het ingebrachte rapport van de door haar ingeschakelde deskundige Van der Boog slaagt. Het Uwv heeft in zijn verweerschrift het standpunt ingenomen dat het beroep van appellante weliswaar gegrond is verklaard, maar dat de medische grondslag van het bestreden besluit door de rechtbank onvoorwaardelijk is bevestigd. Onder die omstandigheden is er volgens het Uwv geen reden om de kosten van de door appellante ingeschakelde deskundige te vergoeden. De Raad onderschrijft dit standpunt niet en is van oordeel dat het inschakelen van de deskundige betrekking heeft gehad op het punt van geschil. Dat appellante wat betreft de medische grondslag van het bestreden besluit niet in het gelijk is gesteld en dat het rapport van de deskundige ook anderszins niet heeft bijgedragen aan een wijziging van de beslissing doet daaraan niet af. Beoordeeld aan de maatstaf aangelegd voor het inbrengen van een rapport van een deskundige zoals hier aan de orde - zoals die maatstaf al naar voren komt in de uitspraak van de Raad van 13 april 2005 (LJN AT4323) - kan niet worden gezegd dat in dit geval degene die de deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, er niet vanuit mocht gaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de rechter van een voor de uitkomst van het geschil mogelijke relevante vraag.

4.3.

Nu de rechtbank zich ten onrechte niet heeft uitgesproken over het verzoek van appellante om voor vergoeding van het rapport van Van der Boog in aanmerking te komen wordt de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op vergoeding van de proceskosten niet onderschreven.

5.

Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden bepaald op de kosten van rechtsbijstand in beroep tot een bedrag van € 1.092,-- en in hoger beroep tot een bedrag van € 944,-- alsmede in de kosten van de deskundige die op verzoek van appellante een rapport heeft uitgebracht, zijnde € 238,--, in totaal dus € 2.274,--.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak, behoudens de veroordeling van het Uwv tot vergoeding

van de proceskosten aan appellante;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van in totaal

€ 2.274,--;

- bepaalt dat het Uwv het door appellante betaalde griffierecht van € 156,-- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) S. Aaliouli

QH