Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1849

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
26-09-2013
Zaaknummer
12-3220 ZW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appellante heeft zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de WW ziek gemeld. Als gevolg daarvan is aan appellante uitkering op grond van de ZW toegekend. Op basis van het rapport van de verzekeringsarts heeft het Uwv bij besluit aan appellante meegedeeld dat de ZW-uitkering wordt beëindigd, omdat zij op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de artsen van het Uwv in het kader van de beoordeling van de aanspraken van appellante op een uitkering ingevolge de ZW op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd dat appellante geschikt wordt geacht voor haar werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12 3220 ZW

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van

12 april 2012, 12/72 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 25 september 2013

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S. van Schaik, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een rapport van de arts bezwaar en beroep van 3 september 2012 overgelegd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2013. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Van Schaik. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is laatstelijk tot 1 april 2009 werkzaam geweest als medewerker back office (pricing manager en customer master) voor 40 uur per week. Op 14 juni 2010 heeft zij zich vanuit een uitkeringssituatie ingevolge de Werkloosheidswet ziek gemeld met rechterschouder- en armklachten. Als gevolg daarvan is aan appellante uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend.

1.2. Appellante is een aantal keren gezien op het spreekuur van de verzekeringsarts en heeft na doorverwijzing een interventieprogramma bij Symphony Gezondheidsdiensten gevolgd. Na afronding van dit programma heeft de verzekeringsarts in zijn rapport van 20 september 2011 vastgesteld dat er geen aanwijzingen zijn voor psychische problematiek en dat het ziekteproces dusdanig is verbeterd dat appellante weer in staat is in de maatgevende arbeid te hervatten. Op basis van dat rapport heeft het Uwv bij besluit van 20 september 2011 aan appellante meegedeeld dat de ZW-uitkering met ingang van 27 september 2011 wordt beëindigd, omdat zij op en na deze datum niet meer ongeschikt werd geacht tot het verrichten van haar arbeid.

1.3. Bij besluit van 19 december 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 20 september 2011, onder verwijzing naar het rapport van de bezwaarverzekeringsarts van 15 december 2011, ongegrond verklaard.

2.

De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat zij in het door appellante gestelde geen reden ziet om te twijfelen aan de verzekeringsgeneeskundige bevindingen van de verzekeringsartsen. De bezwaarverzekeringsarts heeft bij nader lichamelijk onderzoek geen functiebeperkingen kunnen objectiveren en bij orthopedisch en neurologisch onderzoek zijn geen medisch objectiveerbare afwijkingen gevonden. Bij oriënterend psychologisch onderzoek zijn evenmin aanwijzingen gevonden voor een aanpassingsstoornis, een depressieve stoornis of andere psychopathologie. Volgens de rechtbank heeft het Uwv het bestreden besluit op het rapport van de bezwaarverzekeringsarts mogen baseren en terecht en op goede gronden de

ZW-uitkering van appellante per 27 september 2011 beëindigd.

3.

In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat zij nog steeds pijnklachten ondervindt aan haar arm en schouder en dat zij daarnaast last heeft van mentale klachten. Volgens appellante is er na afloop van het interventieprogramma geen eindoordeel gegeven over haar medische beperkingen en klachten en heeft ten onrechte geen doorverwijzing naar een orthopedisch chirurg plaatsgevonden. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante verwezen naar de door haar overgelegde medische informatie.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Ingevolge artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld. Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt onder “zijn arbeid” verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Nu appellante laatstelijk werkzaam is geweest als manager back office, is deze functie terecht als maatstaf arbeid aangemerkt. Gelet op de rapporten van de (bezwaar)verzekeringsartsen bestond voldoende inzicht in de aard en de belasting van dat werk.

4.2.

Met betrekking tot de medische beoordeling onderschrijft de Raad het oordeel en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen van de rechtbank. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de artsen van het Uwv in het kader van de beoordeling van de aanspraken van appellante op een uitkering ingevolge de ZW op inzichtelijke wijze hebben onderbouwd dat appellante geschikt wordt geacht voor haar werk. In het rapport van de verzekeringsarts van 20 september 2011 wordt op basis van dossierstudie, eigen onderzoek en de verslagen van Symphony Gezondheidsdiensten over het door appellante gevolgde interventieprogramma vermeld dat de beperkingen die bij appellante kunnen worden vastgesteld dusdanig zijn verminderd, dat er geen medisch objectiveerbare belemmering meer bestaat om het eigen werk te verrichten. Evenmin worden er bij psychisch onderzoek aanwijzingen gevonden voor psychische problematiek. De bezwaarverzekeringsarts

P.M.A. Lezaire heeft, op basis van aanvullende gegevens die tijdens de hoorzitting zijn verkregen, waaronder verkregen informatie van de huisarts, geen aanleiding gezien om een ander standpunt in te nemen. Anamnestisch zijn er geen aanknopingspunten voor de aanwezigheid van specifieke arm-/schouderpathologie en ook bij eigen onderzoek heeft hij geen functiebeperkingen aan nek, arm of schouders kunnen objectiveren. Bij het ontbreken van objectiveerbare functie-afwijkingen ziet hij geen objectief medische grond om te stellen dat appellante, zoals zij claimt, niet langdurig computerwerkzaamheden zou kunnen verrichten gelet op de geringe fysieke belasting, de gunstige ergonomische omstandigheden, de mogelijkheid tot regelmatig pauzeren en daarmee de mogelijkheid om regelmatig van houding te kunnen wisselen. Vanuit medische optiek ziet de bezwaarverzekeringsarts geen bezwaar tegen hervatting in het eigen werk.

4.3.

Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd en de daarbij overgelegde medische informatie heeft de arts bezwaar en beroep M.J.M. Manders op

3 september 2012 een aanvullend rapport opgesteld. Het gegeven dat appellante bij een test (SCL 90) hoog scoort op klachten betreffende depressie, insufficiëntie en hostiliteit betekent volgens deze arts nog niet dat er sprake is van objectiveerbare beperkingen als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. Dat appellante klachten heeft, is al jaren bekend. Het feit dat bij echoscopisch onderzoek op 19 juli 2012 is gebleken dat er sprake is van een geïrriteerde pees betekent niet dat deze situatie ook op de datum in geding al aanwezig was. Bovendien kan uit de echoscopische bevindingen niet de conclusie worden getrokken dat een dergelijke bevinding leidt tot objectiveerbare beperkingen voor het eigen werk. Op de bij brief van

1 augustus 2013 overgelegde stukken heeft de bezwaarverzekeringsarts gereageerd met zijn rapport van 7 augustus 2013. Daarin is vermeld dat de informatie van de fysiotherapeut betrekking heeft op een periode in 2010, gedurende welke appellante arbeidsongeschikt werd beschouwd vanwege haar klachten. Het feit dat zij in 2010 een behandeling onderging, impliceert niet dat appellante op de datum in geding (een jaar nadien) objectiveerbare beperkingen had voor haar maatmanwerk. Uit de informatie van de orthopedisch chirurg blijkt dat er in 2010 op basis van echoscopisch onderzoek geconcludeerd werd dat er sprake was van een geïrriteerde pees. De orthopedisch chirurg geeft aan dat hij een relatie met de werkzaamheden van appellante moeilijk kan objectiveren. Op basis van die informatie, die reeds bekend was, heeft de bezwaarverzekeringsarts niet kunnen concluderen dat er in verband hiermee op de datum in geding sprake is geweest van een objectiveerbare beperking voor het maatmanwerk. Gelet op de eigen onderzoeksbevindingen en de overgelegde medische informatie hebben de artsen bezwaar en beroep in hun rapporten inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd om welke reden(en) er geen aanleiding is tot het wijzigen van het eerder door de verzekeringsarts ingenomen standpunt dat appellante per 27 september 2011 geschikt werd geacht voor haar arbeid.

4.4.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Er is geen grond voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2013.

(getekend) C.P.J. Goorden

(getekend) S. Aaliouli

JvC