Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1841

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
26-09-2013
Zaaknummer
11-6879 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het Uwv heeft de WAO-uitkering ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg. Bij besluit heeft het Uwv aan appellant een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%. Bij bestreden besluit 1 heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit gegrond verklaard en is de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 35 tot 45%. Bij bestreden besluit 2 (nader besluit op bezwaar) heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 45 tot 55%. Bestreden besluit 2 berust op een toereikende medische en arbeidskundige grondslag. Het beroep tegen bestreden besluit 2 moet ongegrond worden verklaard. Het verzoek van appellant om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11 6879 WAO, 13/2125 WAO

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

16 oktober 2011, 10/1500 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant]te [woonplaats](appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. L.G.M. van der Meer hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 juni 2012. Appellant is verschenen en bijstaan door mr. Van der Meer. Het Uwv heeft zich, met bericht, niet laten vertegenwoordigen.

Na de behandeling van het geding ter zitting is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

Het Uwv heeft een nieuwe beslissing op bezwaar ingezonden. Appellant heeft zijn zienswijze daarover naar voren gebracht.

Partijen hebben toestemming gegeven een nader onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1.1. Tot 29 oktober 2006 had appellant recht op een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Het Uwv heeft deze uitkering ingetrokken, omdat de mate van arbeidsongeschiktheid minder dan 15% bedroeg.

1.2. Naar aanleiding van een door appellant ingezonden formulier ‘Melden van verslechterde gezondheid’ heeft het Uwv na verzekeringsgeneeskundig onderzoek vastgesteld dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 43a van de WAO.

1.3. Bij besluit van 11 februari 2010 heeft het Uwv - met een verkorte wachttijd van vier weken - aan appellant per 23 december 2009 een WAO-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25 tot 35%.

1.4. Bij besluit van 21 juli 2010 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 februari 2010 gegrond verklaard en is de mate van arbeidsongeschiktheid per 23 december 2009 vastgesteld op 35 tot 45%.

2.

De rechtbank heeft het beroep van appellant ongegrond verklaard. De beschikbare medische gegevens, waaronder het door appellant ingediende rapport van medisch adviseur M.A. Peerden, hebben de rechtbank geen aanleiding gegeven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsarts en de bezwaarverzekeringsarts over de belastbaarheid van appellant per 23 december 2009. Ten aanzien van de geduide functies heeft het Uwv volgens de rechtbank afdoende gemotiveerd waarom de signaleringen geen overschrijding opleveren van de belastbaarheid van appellant op de ter beoordeling staande datum.

3.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt gehandhaafd dat hij volledig arbeidsongeschikt is. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft hij een nadere reactie van Peerden en een rapport van uroloog G.R. Dohle ingezonden. Appellant heeft erop gewezen dat hij volgens Dohle zeer beperkt inzetbaar is voor arbeid; hij wordt onder andere niet in staat geacht langer dan ongeveer 30 minuten te zitten of te staan. Dat betekent volgens appellant dat de geduide functies voor hem ongeschikt zijn.

4.

Bij de nieuwe beslissing op bezwaar van 10 april 2013 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv de mate van arbeidsongeschiktheid per 23 december 2009 nader vastgesteld op 45 tot 55%. Aan bestreden besluit 2 liggen verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige rapporten ten grondslag waarin is toegelicht dat in het rapport van Dohle aanleiding is gezien de zogenoemde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aan te passen en dat een nadere selectie van voor appellant geschikte functies tot indeling in een hogere arbeidsongeschiktheidsklasse leidt.

5.1.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

5.2.

Bestreden besluit 2 is een nieuwe beslissing op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen het besluit van 11 februari 2010 en dat het door de rechtbank beoordeelde bestreden besluit 1 vervangt. Dat betekent dat zowel de aangevallen uitspraak, waarbij bestreden besluit 1 in stand is gelaten, als bestreden besluit 1 moeten worden vernietigd. Omdat bestreden besluit 2 niet tegemoet komt aan het bezwaar van appellant maakt dit besluit, gelet op de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht, deel uit van het geding.

5.3.

De bezwaarverzekeringsarts heeft in verband met de zitklachten van appellant en in overeenstemming met het rapport van Dohle in de aangepaste FML van 12 maart 2013 een extra beperking opgenomen bij item 5.1, te weten “beperkt, kan ongeveer een half uur achtereen zitten”. Met het verzekeringsgeneeskundige rapport van 1 juli 2010 is gemotiveerd dat voldoende beperkingen zijn opgenomen in de FML in verband met de overige klachten. Appellant heeft zijn stelling dat onder andere zijn slaapklachten en de klacht van verminderde concentratie tot nadere aanpassing van de FML zouden moeten leiden, niet met medische gegevens onderbouwd. De beroepsgrond van appellant dat de FML geen juist beeld geeft van de belastbaarheid van appellant slaagt dan ook niet.

5.4.

De FML van 12 maart 2013 is voor de bezwaararbeidsdeskundige aanleiding geweest binnen de SBC-code 315040 (boekhouder, loonadministrateur) een functie met een voor appellant niet geschikte zitbelasting te vervangen door een functie van administratief medewerker met een zitbelasting die de door de bezwaarverzekeringsarts geformuleerde grens niet overschrijdt. In het Resultaat functiebeoordeling is bij de items 5.1 en 5.2 vermeld dat in deze functie zitten voorkomt tijdens acht werkuren viermaal ongeveer vijftien minuten achtereen. Daarbij is aangetekend dat de functionaris de mogelijkheid heeft tot vertreden.

5.5.

De twee door de bezwaararbeidsdeskundige gehandhaafde functies kennen evenmin een aaneengesloten zitbelasting van meer dan 30 minuten. Er moet volgens het Resultaat functiebeoordeling in de functies binnen SBC-code 211030 tijdens acht werkuren driemaal ongeveer tien minuten achtereen en driemaal ongeveer vijf minuten achtereen worden gezeten (in de functie van administratief medewerker) onderscheidenlijk tijdens zes werkuren viermaal ongeveer drie minuten achtereen en tijdens twee werkuren ongeveer 30 minuten achtereen (in de functie van operator). In de functie met SBC-code 315120 komt zitten tijdens acht werkuren tweemaal ongeveer 30 minuten achtereen voor. Met een arbeidskundig rapport van 17 augustus 2012 is toegelicht dat in deze functie van medewerker meldkamer na circa
30 minuten zitten ongeveer een minuut achtereen wordt gelopen en/of een minuut achtereen wordt gestaan. Het gaat daarbij onder andere om toiletgang, koffie halen, kopiëren. De conclusie dat het hierbij gaat om substantieel andere activiteiten die het zitten onderbreken, wordt onderschreven.

5.6.

Met de aanvulling op het arbeidskundig rapport van 10 februari 2010, gedateerd 9 april 2010, gelezen in samenhang met het arbeidskundig rapport van 27 maart 2013, is gemotiveerd uiteengezet dat de signaleringen die duiden op een mogelijke overschrijding van de belastbaarheid van appellant op andere items dan 5.1 en 5.2 niet ertoe leiden dat de aan de schatting ten grondslag gelegde functies voor appellant niet geschikt zijn.

5.7.

Uit 5.3 tot en met 5.6 volgt dat bestreden besluit 2 berust op een toereikende medische en arbeidskundige grondslag. Het beroep tegen bestreden besluit 2 moet ongegrond worden verklaard.

6.

Het verzoek van appellant om het Uwv te veroordelen tot vergoeding van schade in de vorm van de wettelijke rente over de na te betalen uitkering wordt toegewezen. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.

7.

Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. De kosten van verleende rechtsbijstand worden begroot op € 944,- in beroep en op € 944,- in hoger beroep, in totaal € 1.888,-. De voor vergoeding in aanmerking te nemen reiskosten worden begroot op € 18,88 in beroep en op € 41,28 in hoger beroep, in totaal € 60,16 (op basis van openbaar vervoer tweede klasse). Tevens is er aanleiding het Uwv te veroordelen tot vergoeding van de kosten van de door appellant ingeschakelde medisch adviseur Peerden en uroloog Dohle. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht en het Besluit tarieven in strafzaken wordt de vergoeding vastgesteld op een bedrag van € 1.043,01 (3,42 uur à € 81,23 is € 277,81 in beroep en 3 uur à € 81,23 is € 243,69 vermeerderd met 4,5 uur à € 116,09 is € 522,41 in hoger beroep, in totaal € 1.043,91). De kostenvergoeding bedraagt in totaal € 2.992,07.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

  • -

    vernietigt de aangevallen uitspraak;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 21 juli 2010 gegrond en vernietigt dat besluit;

  • -

    verklaart het beroep tegen het besluit van 10 april 2013 ongegrond;

  • -

    veroordeelt het Uwv tot vergoeding van wettelijke rente als onder 7 van deze uitspraak is vermeld;

  • -

    veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 2.992,07,-;

  • -

    bepaalt dat het Uwv het door appellant in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 153,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door M. Greebe, in tegenwoordigheid van M.D.F. de Moor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2013.

(getekend) M. Greebe

(getekend) M.D.F. de Moor

HD