Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1839

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
26-09-2013
Zaaknummer
11-6344 WAO
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bij besluit heeft het Uwv de toegekende uitkering op grond van de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, ingetrokken op de grond dat appellant, rekening houdend met zijn medische arbeidsbeperkingen, in staat is met gangbare arbeid 99% van zijn verdienvermogen te realiseren. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en heeft zich terecht verenigd met de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde beperkingen, zoals weergegeven in de FML.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6344 WAO

Datum uitspraak: 25 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

23 september 2011, 11/1305 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats](appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. J. van Ravenhorst, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een medisch rapport van drs. R.I. Teulings, RGA, van 3 mei 2011 ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2013. Namens appellant is
mr. Ravenhorst verschenen. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.2. Bij besluit van 1 september 2010 heeft het Uwv de met ingang van 2 oktober 2000 toegekende uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO), berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%, met ingang van

2 november 2010 ingetrokken op de grond dat appellant, rekening houdend met zijn medische arbeidsbeperkingen, in staat is met gangbare arbeid 99% van zijn verdienvermogen te realiseren.

1.3. Bij besluit van 16 maart 2011 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 1 september 2010 ongegrond verklaard. Aan dat besluit liggen ten grondslag verzekeringsgeneeskundige en arbeidsdeskundige rapporten en een opgestelde Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 22 juni 2010.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De stelling van appellant, dat zich sedert de vaststelling in 2006 dat hij ongewijzigd 80 tot 100% arbeidsongeschikt is geen relevante wijzigingen hebben voorgedaan en het besluit daarom in strijd komt met de aan het besluit van 30 juni 2006 toekomende formele rechtskracht, is door de rechtbank verworpen aangezien sprake is van een nieuwe beoordeling met betrekking tot een nieuwe datum, waartoe het Uwv op grond van artikel 23 van de WAO bevoegd is. De rechtbank heeft evenmin strijd geconstateerd met het bepaalde in artikel 1 van het Eerste Protocol (EP) van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en artikel 14 van dat verdrag. Met verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 3 oktober 2007 (LJN BB4816) kan naar het oordeel van de rechtbank de intrekking van de WAO-uitkering niet worden beschouwd als een ontneming van eigendom (“possession”) als in het EP beschermd. De rechtbank heeft geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek voldoende zorgvuldig is geweest en heeft zich verenigd met de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde beperkingen, zoals weergegeven in de FML van 22 juni 2010. De rechtbank heeft daarbij een enkele dagen voor de zitting door appellant ingediend medisch rapport wegens strijd met artikel 8:58, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) buiten beschouwing gelaten. Met betrekking tot de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank overwogen dat de geselecteerde functie van archiefmedewerker, medewerker bibliotheek (SBC-code 315130) niet passend is, maar dat dit oordeel, nu er drie geschikte functies resteren, geen gevolgen heeft voor de arbeidskundige grondslag van het besluit. De door appellant bepleite wijziging in maatman is door de rechtbank verworpen aangezien geen redenen zijn gebleken om af te wijken van de hoofdregel dat als maatman heeft te gelden de laatstelijk voor datum van uitval verrichte functie.

3.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat het bestreden besluit in strijd komt met de aan het eerdere besluit uit 2006 toekomende formele rechtskracht. Nu sprake is gebleven van dezelfde feiten kan thans geen andere uitkomst van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling het gevolg zijn. Daarnaast heeft hij een beroep gedaan op het ingediende rapport van Teulings.

4.1.

De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen die aan dat oordeel ten grondslag liggen. Met betrekking tot het beroep op het EP in samenhang met artikel 14 van het EVRM ziet de Raad in de aangevoerde gronden geen aanleiding terug te komen op zijn, door de rechtbank met juistheid genoemde, vaste rechtspraak. In de door de gemachtigde van appellant ter zitting genoemde uitspraak van de Raad van 21 december 2012 (LJN BY7897) heeft de Raad nogmaals gewezen op het arrest Jantner tegen Slowakije van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 4 maart 2003, waarin is vastgesteld dat een voorwaardelijke aanspraak die vervalt omdat niet aan de voorwaarden wordt voldaan, niet kan worden beschouwd als een “possession”.

4.2.

Het rapport van Teulings geeft geen aanleiding het bestreden besluit voor onjuist te houden. Bezwaarverzekeringsarts R. Blanker heeft op 23 november 2011 gemotiveerd op het rapport van Teulings gereageerd en geconcludeerd dat daarin geen grond is gelegen de eerdere standpunten te herzien. Er is geen aanleiding dit standpunt onjuist te achten.

4.3.

Hetgeen in 4.1 en 4.2 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

5.

Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) D.E.P.M. Bary

EH