Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1838

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
25-09-2013
Datum publicatie
26-09-2013
Zaaknummer
11-868 WIA
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek, waarbij beperkingen zijn vastgelegd in een FML en voorbeeldfuncties zijn geselecteerd die appellante met haar beperkingen kan verrichten, heeft het Uwv beslist dat voor appellante geen recht op uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Tussen partijen is in hoger beroep nog slechts in geschil of de bij appellante bestaande clusterhoofdpijn tot meer arbeidsbeperkingen leidt dan waarvan de (bezwaar)verzekeringsarts is uitgegaan. De rechtbank is terecht tot een ontkennend antwoord gekomen. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/868 WIA

Datum uitspraak: 25 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van

29 december 2010, 10/142 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats](appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. C.M.A. Mertens, werkzaam bij DAS Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringmaatschappij N.V., hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft een brief ingezonden van drs. L.A. Wilbrink en prof. dr. M.D. Ferrari, neuroloog, van 18 januari 2012, waarop door het Uwv is gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 augustus 2013. Namens appellante is

mr. Mertens verschenen. Het Uwv is, met bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN

1.1. Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als verkoopster van fotografische artikelen voor ongeveer 16 uur per week. Na een eenzijdig ongeval (tegen een lantaarnpaal gereden) heeft zij zich met ingang van 9 juli 2007 arbeidsongeschikt gemeld met nek- en hoofdpijnklachten. Sedert november 2008 is verder sprake van clusterhoofdpijn.

1.2. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidsdeskundig onderzoek, waarbij beperkingen zijn vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 20 juli 2009 en voorbeeldfuncties zijn geselecteerd die appellante met haar beperkingen kan verrichten, heeft het Uwv op 10 augustus 2009 beslist dat voor appellante met ingang van 6 juli 2009 geen recht op uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is.

1.3. Bij besluit van 21 december 2009 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 10 augustus 2009 ongegrond verklaard. Daaraan ligt het rapport ten grondslag van bezwaarverzekeringsarts J.L. Waasdorp van 8 december 2009, die zich na ontvangen uitvoerige informatie van de huisarts en daarbij gevoegde specialistische inlichtingen en psychologische onderzoeken, achter de eerdere beoordeling door de verzekeringsarts heeft geschaard en zich heeft verenigd met de FML van 20 juli 2009.

2.

In de aangevallen uitspraak is het beroep van appellante ongegrond verklaard, nadat op verzoek van de rechtbank dr. E.M.H. van den Doel, neuroloog, op 2 november 2010 rapport heeft uitgebracht. Van den Doel heeft gesteld dat er bij appellante op 6 juli 2009 sprake is van chronische clusterhoofdpijn met een hoge aanvalsfrequentie. Er zijn dan geen wezenlijke arbeidsmogelijkheden aanwezig en er is dan geen sprake van belastbaarheid, de gerapporteerde hoge aanvalsfrequentie in aanmerking nemende. De rechtbank heeft evenwel de visie van de bezwaarverzekeringsarts gevolgd die in aansluiting op zijn eerdere rapporten van 18 februari 2010 en 12 juli 2010 in een uitvoerige reactie van 19 november 2010 op het rapport van Van den Doel erop heeft gewezen dat de deskundige volledig is uitgegaan van de anamnestische gegevens tijdens het onderzoek, terwijl die gegevens en het gepresenteerde klachtenpatroon niet consistent zijn in relatie tot eerdere medische rapporten. Daarbij heeft de bezwaarverzekeringsarts met name gewezen op de door appellante als “perfect” en “prima” geduide resultaten van behandelingen met prednison en injecties imigran. Ook in de overige in beroep aangevoerde gronden heeft de rechtbank geen aanleiding gezien de weigering om appellante in aanmerking te brengen voor een WIA-uitkering voor onjuist te houden.

3.

In hoger beroep heeft appellante betoogd dat de rechtbank de visie van de ingeschakelde deskundige ten onrechte naast zich neer heeft gelegd, dit in afwijking van de vaste rechtspraak van de Raad. Nu de diagnose clusterhoofdpijn algemeen is aanvaard, de klachten volgens de deskundige consistent zijn en zich in zodanige frequentie manifesteren dat geen sprake is van belastbaarheid, is voldaan aan de eis dat een vrijwel eenduidige, consistente en naar behoren gemotiveerde alsook verantwoorde opvatting bestaat dat zij als gevolg van ziekte of gebrek niet in staat is de desbetreffende arbeid te verrichten.

4.1.

Tussen partijen is in hoger beroep nog slechts in geschil of de bij appellante bestaande clusterhoofdpijn op 6 juli 2009 tot meer arbeidsbeperkingen leidt dan waarvan de (bezwaar)verzekeringsarts is uitgegaan.

4.2.

De door de rechtbank ingeschakelde deskundige neuroloog Van den Doel heeft die vraag bevestigend beantwoord.

4.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige kan volgen indien de door deze gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. In dit geval heeft de rechtbank inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat er aanleiding bestaat, ondanks de niet in geding zijnde diagnose clusterhoofdpijn, niet de conclusies van de deskundige te volgen dat appellante met haar klachten niet belastbaar is. De Raad verenigt zich met dit oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd. Uit met name het verzekeringsgeneeskundig rapport van 20 juli 2009 en de in de expertise van Van den Doel genoemde informatie van de neurologen Roebroek en Pop, die appellante in de maanden voorafgaand aan de in geding zijnde datum 6 juli 2009 hebben onderzocht, blijkt van een geringere frequentie van de hoofdpijnaanvallen en van (toen) succesvolle behandelingen met zuurstof, injecties imigran en prednison. Zonder af te doen aan wezenlijke klachten die appellante van haar hoofdpijnaanvallen ondervindt - dit wordt nogmaals bevestigd in het in hoger beroep ingezonden schrijven van de behandelend neurologen van 18 januari 2012 - kan niet worden gezegd dat deze, gelet op de onderzoeksbevindingen en verkregen informatie, door de (bezwaar)verzekeringsarts van het Uwv met betrekking tot de datum in geding zijn onderschat.

4.4.

Hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen leidt tot de conclusie dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Gelet op dit oordeel is er geen grond voor toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J.S. van der Kolk en

A.I. van der Kris als leden, in tegenwoordigheid van D.E.P.M. Bary als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 september 2013.

(getekend) Ch. van Voorst

(getekend) D.E.P.M. Bary

EH