Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1837

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
11-6785 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Terugvordering verleende voorschotten. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RSV 2013/278
JWWB 2013/152
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/6785 WWB, 11/6786 WWB, 11/6787 WWB, 11/6788 WWB, 12/1779 WWB, 12/1780 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Groningen van

14 oktober 2011, 11/660 (aangevallen uitspraak 1), van 21 oktober 2011, 11/659 (aangevallen uitspraak 2) en van 12 maart 2012, 11/1094 (aangevallen uitspraak 3)

Partijen:

[Appellant] (appellant) en [Appellante] (appellante) te [woonplaats] (appellanten)

het college van burgemeester en wethouders van Groningen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E. van Wolde, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting in de zaken heeft gevoegd met het onderzoek in de zaken 11/4548 WWB en 11/4549 WWB plaatsgehad op 2 juli 2013, waar appellanten zijn verschenen, bijgestaan door mr. Van Wolde. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.A. Jalving. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst. In de zaken

11/4548 WWB en 11/4549 WWB wordt heden afzonderlijk uitspraak gedaan.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellanten ontvingen vanaf 1 september 2008 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor gehuwden.

1.2.

Naar aanleiding van een signaal van de Belastingdienst dat appellanten beschikken over twee niet aan het college opgegeven bankrekeningen bij de ABN-AMRO bank

(ABN-AMRO-rekeningen) heeft het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Groningen een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellanten verleende bijstand. In dat kader is dossieronderzoek verricht, zijn gegevens opgevraagd bij onder meer de Belastingdienst en zijn appellanten verhoord. Uit dit onderzoek is het volgende naar voren gekomen. Op 22 mei 2007 heeft appellant de eigen woning verkocht voor € 138.000,-. Na de aflossing van de hypotheek bleef er een winst over van € 81.644,- waarvan op 25 mei 2007

€ 40.000,- is overgemaakt naar de verzwegen ABN-AMRO-rekening van appellante en € 41.644,- naar de verzwegen ABN-AMRO-rekening van appellant. Van deze rekeningen is gedurende de periode van 6 juli 2007 tot en met 21 juli 2009 in totaal € 57.810,- contant opgenomen. Van de ABN-AMRO-rekeningen is verder een bedrag van totaal € 25.000,- overgemaakt naar de broer van appellant in Irak. Gedurende de periode van 1 september 2008 tot 15 juli 2009 is van de eveneens verzwegen spaarrekeningen van hun twee kinderen in totaal een bedrag van € 12.310.- opgenomen. Appellanten hebben tijdens de verhoren verklaard dat het opgenomen geld is geschonken aan familie in Irak. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 28 mei 2010 en een proces‑verbaal van

11 augustus 2010.

1.3.

De onderzoeksbevindingen waren voor het college aanleiding om bij besluit van 22 juni 2010 de bijstand van appellanten met ingang van 1 september 2008 in te trekken en de gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van € 29.894,37 van appellanten terug te vorderen.

1.4.

Bij besluit van 18 maart 2011 heeft het college de bezwaren van appellanten tegen het besluit van 22 juni 2010 ongegrond verklaard. Aan de besluitvorming ligt ten grondslag dat appellanten in strijd met de op hen rustende inlichtingenverplichting niet aan het college hebben gemeld dat zij beschikten over drie bankrekeningen bij de ABN-AMRO en twee spaarrekeningen op naam van hun kinderen en de op die rekeningen aanwezige tegoeden. Van de verzwegen bankrekeningen hebben appellanten in de periode van 6 juli 2007 tot en met

21 juli 2009 grote bedragen contant opgenomen. Appellanten hebben hun verklaring dat zij het opgenomen geld hebben geschonken aan familie in Irak niet met verifieerbare gegevens onderbouwd, zodat onduidelijk is of en in hoeverre zij de beschikking hebben over in aanmerking te nemen middelen. Hierdoor kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Bij uitspraak van 12 juli 2011 (11/263) heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van

18 maart 2011 ongegrond verklaard. Bij de onder het procesverloop vermelde uitspraak van heden heeft de Raad deze uitspraak van de rechtbank bevestigd.

1.5.

Op 6 juli 2010 hebben appellanten een aanvraag om algemene bijstand ingediend (aanvraag 1). In het kader van die aanvraag zijn aan appellanten voorschotten verstrekt van in totaal € 3.345,72. Bij besluit van 10 september 2010 heeft het college de aanvraag afgewezen. Bij besluit van 15 september 2010 heeft het college de aan appellanten verleende voorschotten teruggevorderd. De bezwaren tegen de afwijzing van de aanvraag en de terugvordering van de voorschotten heeft het college bij afzonderlijke besluiten van 20 mei 2011 (bestreden besluiten 1 en 2) ongegrond verklaard.

1.6.

Op 7 juni 2011 hebben appellanten wederom een aanvraag om algemene bijstand ingediend (aanvraag 2). Deze aanvraag heeft het college bij besluit van 6 juli 2011 afgewezen. Bij besluit van 7 oktober 2011 (bestreden besluit 3) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 6 juli 2011, onder verwijzing naar het dienstrapport van 9 september 2011, ongegrond verklaard.

1.7.

Het college heeft aan de besluitvorming van de bestreden besluiten 1 en 3, zoals ter zitting verduidelijkt, ten grondslag gelegd dat niet gebleken is van relevante gewijzigde omstandigheden ten opzichte van de situatie ten tijde van de intrekking van de bijstand met ingang van 1 september 2008 op grond waarvan appellanten op een later tijdstip wel voor algemene bijstand in aanmerking zouden komen. Appellanten hebben geen deugdelijke en verifieerbare gegevens overgelegd waaruit blijkt hoe en wanneer zij de contante geldopnames van hun bankrekeningen hebben uitgegeven, zodat niet kan worden vastgesteld of appellanten in bijstandbehoevende omstandigheden verkeren.

1.8.

Het college heeft appellanten bij besluit van 2 april 2012 met ingang van 12 december 2011 bijstand toegekend naar de norm voor gehuwden.

2.

Bij de aangevallen uitspraken 1, 2 en 3 heeft de rechtbank de beroepen tegen onderscheidenlijk de bestreden besluiten 1, 2 en 3 ongegrond verklaard.

3.

Appellanten hebben zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraken gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

De Raad heeft in zijn onder 1.4 vermelde uitspraak geoordeeld (rechtsoverwegingen 4.1 tot en met 4.5) dat appellanten de inlichtingenverplichting hebben geschonden door geen melding te maken van vijf bankrekeningen en de daarop aanwezige tegoeden, dat appellanten onvoldoende duidelijkheid hebben verschaft over de besteding van de tegoeden en het college bevoegd was de bijstand met ingang van 1 september 2008 de bijstand in te trekken.

4.2.

In een geval, waarin een nieuwe aanvraag voorligt na een eerdere beëindiging of intrekking van de bijstand of een eerdere afwijzing van een bijstandsaanvraag, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat zich sinds die beëindiging, intrekking of afwijzing een relevante wijziging in de omstandigheden heeft voorgedaan, in die zin dat op dat latere tijdstip wel wordt voldaan aan de vereisten om voor bijstand in aanmerking te komen. Geen aanleiding bestaat om in dit geval van dit uitgangspunt af te wijken.

4.3.

De te beoordelen perioden voor de aanvragen 1 en 2 lopen respectievelijk van 6 juli 2010 tot en met 10 september 2010 en van 7 juni 2011 tot en met 6 juli 2011.

4.4.

Appellanten hebben met betrekking tot hun aanvragen 1 en 2 betoogd dat zij hebben geprobeerd zo volledig mogelijk uit te leggen en te concretiseren dat de geldopnames ten goede zijn gekomen aan familieleden in Irak en Syrië. Het geld is gebruikt om ziekenhuisrekeningen van familieleden in Irak mee te voldoen, om vliegtickets naar Syrië van te betalen en om de huur te betalen van in Syrië en Jordanië gehuurde huizen voor familie. Verder zijn spullen gekocht op de zwarte markt in Beverwijk om mee te nemen naar Syrië, zo blijkt uit het door appellant gemaakte overzicht met toelichting. Appellanten hebben aangevoerd dat zij uiteindelijk, met inbegrip van de in het kader van de aanvraag om bijstand van 12 december 2011 verschafte informatie en stukken, voldoende duidelijk hebben gemaakt dat zij ten tijde van aanvraag 1, dan wel aanvraag 2, niet meer over vermogen beschikten en dat zij in bijstandbehoevende omstandigheden verkeerden.

4.5.

Appellanten hebben niet aangetoond dat hun omstandigheden in de perioden hier van belang in de zin als bedoeld in 4.2 zijn gewijzigd. Appellanten hebben geen objectieve verklaringen gegeven en geen objectieve en verifieerbare gegevens verstrekt waaruit zou moeten blijken hoe en wanneer de tegoeden op de verzwegen bankrekeningen en de daarvan opgenomen bedragen zijn besteed en dat zij niet meer konden beschikken over die tegoeden en die bedragen. De in hoger beroep gegeven toelichting dat appellanten in het kader van de aanvraag van 12 december 2011 hebben gemeld dat zij in de tweede helft van 2009 ongeveer € 17.000,- van de spaarrekeningen van de kinderen hebben besteed aan de inrichting van hun nieuwe woning, kan niet als zodanig worden aangemerkt. Daargelaten nog dat deze toelichting niet gepaard is gegaan met concrete bewijsmiddelen, betrof het positieve saldo op de spaarrekeningen van de kinderen, die op 15 juli 2009 zijn opgeheven, ongeveer € 12.310,-. De onduidelijkheid over de besteding van de tegoeden op de verzwegen bankrekeningen is dus blijven voortbestaan. Aan de stelling dat appellanten door tijdsverloop op het vermogen hebben ingeteerd wordt om deze reden dan ook voorbijgegaan. Anders dan appellanten menen volgt uit de omstandigheid dat het college appellanten met ingang van 12 december 2011 wel bijstand heeft verstrekt niet dat het college de aanvragen 1 en 2 ten onrechte heeft afgewezen.

4.6.

Uit 4.5 volgt dat aanvraag 1 en aanvraag 2 terecht zijn afgewezen. Het college was dan ook bevoegd de naar aanleiding van aanvraag 1 bij wijze van voorschot verleende bijstand van appellanten terug te vorderen. Hetgeen appellanten hebben aangevoerd, namelijk dat het college de voorschotten lichtzinnig heeft verleend omdat ten tijde van de verlening van de voorschotten duidelijk was dat de aanvraag om bijstand moest worden afgewezen, vormt geen grond voor het oordeel dat het college bij de afweging van de hierbij rechtstreeks betrokken belangen in redelijkheid geen gebruik heeft kunnen maken van zijn bevoegdheid tot terugvordering. Hierbij is van belang dat appellanten wisten, althans konden weten, dat de voorschotten bij niet toekenning van bijstand moesten worden terugbetaald.

4.7.

Uit 4.1 tot en met 4.6 vloeit voort dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken moeten daarom worden bevestigd.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraken.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en A.M. Overbeeke en

M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2013.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) B. Rikhof

sg