Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1836

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
11-7275 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand. Schending van de inlichtingenverplichting.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/7275 WWB, 11/7276 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van

7 december 2011, 11/30 en 11/773 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Sittard-Geleen (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Schoonbrood, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2013. Appellant en zijn gemachtigde zijn - zoals vooraf bericht - niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. F. Jans-Rakkers.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is musicus. Hij heeft destijds zijn studie aan het conservatorium niet afgemaakt maar heeft nadien jarenlang geleefd van zijn inkomsten als muzikant, onder meer in Kopenhagen in de periode van 1996 tot 2006. Op 14 december 2006 heeft appellant zich gemeld in verband met een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB). Uit onderzoek is gebleken dat appellant wisselende inkomsten uit arbeid genoot en freelance werkzaamheden in de muziekbranche verrichtte. Bij besluit van 15 februari 2007 is appellant met ingang van 14 december 2006 bijstand toegekend. Daarbij is hij gewezen op de verplichting zijn inkomsten door te geven door middel van een kwitantie en deze bij de rechtmatigheidsonderzoeksformulieren te voegen.

1.2.

Eind 2008 is uit onderzoek gebleken dat appellant als musicus, onder meer als drummer bij de band [naam band], in de maanden januari, maart, mei, juli, augustus en december van het jaar 2007 en in de maanden maart en augustus van het jaar 2008 heeft gewerkt en hiermee inkomsten heeft verworven. Dit heeft hij niet aan het college gemeld. Het college heeft bij besluit van 3 oktober 2008 de bijstand over voornoemde maanden in 2007 en in maart 2008 herzien en de teveel ontvangen bijstand teruggevorderd. Voorts is een verlaging van € 150,- op de uitkering toegepast wegens schending van de inlichtingenverplichting. In het besluit is opgenomen dat appellant telefonisch heeft bevestigd dat hij inkomsten heeft ontvangen uit de diverse optredens met [naam band] en dit niet heeft vermeld op de daarvoor bestemde formulieren omdat hij deze inkomsten niet als loon zag maar als een vergoeding ter afbetaling van de kosten die hij had gemaakt voor de aanschaf van een drumstel. Appellant heeft tegen dit besluit geen rechtsmiddel aangewend.

1.3.

Appellant heeft in het kader van een heronderzoek op 29 juni 2010 een verklaring afgelegd tegenover een sociaal rechercheur en zijn case-manager. Hij heeft - kort

samengevat - verklaard nog steeds op te treden met diverse bands, te weten[naam band] (voorheen: [naam band]), [band 2] en[band 3], maar hiervoor geen inkomsten te hebben ontvangen. Hij heeft dit niet doorgegeven aan het college omdat hij dit als een hobby ziet. Uit onderzoek van gegevens op internet is gebleken dat appellant vanaf april 2008 en in 2009 33 optredens met [band 2] heeft gehad. In 2010 heeft hij een optreden gehad met[band 3]. De concertagenda van[naam band] vermeldde 14 optredens in 2010. Een overzicht van concerten met [naam band] in 2008 en 2009 ontbreekt.

1.4.

De uitbetaling van bijstand is met ingang van 1 juni 2010 geblokkeerd in afwachting van (de resultaten van) het onderzoek naar het recht op uitkering. Bij besluit van 26 augustus 2010, voor zover van belang, heeft het college de bijstand met ingang van 1 juni 2010 ingetrokken in verband met het niet verstrekken van inlichtingen over de werkzaamheden als drummer en de inkomsten die hij hiermee heeft verworven dan wel had kunnen verwerven, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. Bij besluit van 28 oktober 2010, voor zover van belang, heeft het college de bijstand over de periode van 1 april 2008 tot en met 31 mei 2010 om dezelfde reden ingetrokken en de als gevolg daarvan ten onrechte verstrekte bijstand over die periode tot een bedrag van € 28.154,16 van appellant teruggevorderd.

1.5.

Bij besluit van 10 december 2010 (bestreden besluit 1), voor zover van belang, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 26 augustus 2010 ongegrond verklaard. Bij besluit van 5 april 2011 (bestreden besluit 2), voor zover van belang, heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 28 oktober 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij voor het wettelijk beoordelingskader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

4.1.1. Het bestreden besluit 2 ziet op de periode van 1 april 2008 tot en met 31 mei 2010. Anders dan appellant betoogt, heeft het college met dit bestreden besluit het besluit van

3 oktober 2008 niet herzien. Dit laatste besluit ziet immers enkel op de herziening van de bijstand van appellant tot en met 31 maart 2008.

4.1.2. Het college heeft de intrekking van bijstand met ingang van 1 juni 2010, zoals gehandhaafd bij bestreden besluit 1, niet beperkt tot een bepaalde periode. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het intrekkingsbesluit. Dat betekent dat ook de periode van 1 juni 2010 tot en met 26 augustus 2010 moet worden beoordeeld.

4.1.3. Uit 4.1.1 en 4.1.2 volgt dat in dit geding de periode van 1 april 2008 tot en met

26 augustus 2010 (te beoordelen periode) ter beoordeling voorligt.

4.2.1. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in de te beoordelen periode als drummer deel uitmaakte van een drietal muziekbands. Uit de onder 1.3 genoemde gegevens blijkt dat appellant in die periode ten minste 43 keer heeft opgetreden. De bands presenteerden zich op internet als professionele bands. Gezien de opleiding van appellant, zijn arbeidsverleden en het aantal optredens gaat het hier om activiteiten als professioneel musicus en niet, zoals appellant heeft betoogd, om enkel hobbymatige activiteiten.

4.2.2. Appellant heeft aangevoerd dat hij voor die werkzaamheden geen beloning heeft ontvangen. Hij heeft daartoe een verklaring van 3 augustus 2010 overgelegd, ondertekend door de overige bandleden van[naam band] inhoudende dat hij vanaf 1 april 2008 geen inkomsten dan wel een onkostenvergoeding heeft ontvangen.

4.2.3. De werkzaamheden van appellant als drummer vertegenwoordigen in het maatschappelijke verkeer een economische waarde. Appellant had daarvoor in de te beoordelen periode een beloning kunnen bedingen. Dat de band [band 2] een stichting is, dat alle inkomsten van de optredens aan de stichting ten goede komen en dat de individuele bandleden van de stichting geen inkomsten of een onkostenvergoeding zouden hebben ontvangen, bevestigt juist, anders dan appellant wil, dat sprake is van op geld waardeerbare activiteiten. Voor de optredens werd immers betaald. Dat de band[band 3] begin 2010 in oprichting was, doet er niet aan af dat appellant op geld waardeerbare arbeid heeft verricht door onder meer met die band een optreden te verzorgen. De onder 4.2.2 vermelde verklaring van 3 augustus 2010 stemt overigens niet overeen met de feitelijke grondslag van het besluit van 3 oktober 2008, volgens welke appellant voor een optreden met [naam band] op 2 augustus 2008 wel inkomsten heeft ontvangen.

4.2.4. Appellant heeft nog een vergelijking gemaakt tussen de bands waarin hij speelde en amateurgezelschappen zoals fanfares en toneelgezelschappen. Voor de voorstellingen van die laatste wordt ook betaald, terwijl de spelers niets ontvangen. Deze vergelijking gaat niet op. Appellant speelt, zoals onder 4.2.1 is vastgesteld, als professioneel musicus in professionele bands, en dus niet als amateur. Daarom heeft hij op geld waardeerbare arbeid verricht.

4.3.

Deze werkzaamheden als musicus en eventuele of mogelijke inkomsten daaruit zijn onmiskenbaar van belang voor de verlening van bijstand. Daarvan moet dus mededeling worden gedaan aan het bijstandverlenend orgaan. Appellant betoogt dat hij, gelet op de inhoud van de besluiten van 15 februari 2007 en 3 oktober 2008 en gezien de aankruismogelijkheden op de rechtmatigheidsonderzoeksformulieren vanaf 2009, slechts de verplichting had inkomsten en betaald werk door te geven. Dit betoog moet falen. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk moeten zijn dat hij van deze optredens aan het college melding diende te maken. Bovendien is op de rechtmatigheidsonderzoeksformulieren van 2008 expliciet naar onbetaald werk gevraagd. Verder blijkt uit de toelichting op die formulieren dat verrichte werkzaamheden ook moeten worden opgegeven als betrokkene van oordeel is dat hij daarvoor geen tegenprestatie (beloning) hoeft te bedingen. Dat op de rechtmatigheidsonderzoeksformulieren van 2009 en 2010 niet meer expliciet naar onbetaald werk wordt gevraagd, maakt dit niet anders. Hieruit volgt dat appellant in strijd heeft gehandeld met de op hem rustende inlichtingenverplichting.

4.4.

De in 4.3 onderschreven schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of, en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is dan aan de betrokkene om aannemelijk te maken dat in het geval wel aan de inlichtingenverplichting zou zijn voldaan over de betreffende periode recht op (aanvullende) bijstand bestond.

4.5.

Appellant is daarin niet geslaagd. Een deugdelijke en verifieerbare administratie van alle werkzaamheden van appellant in de te beoordelen periode ontbreekt. Appellant heeft deze, ook nadat hij daartoe in de gelegenheid was gesteld, niet overgelegd. Dat de voorzitter van de stichting [band 2], tevens bandleider, heeft geweigerd appellant nadere informatie te verstrekken, komt onder de gegeven omstandigheden - appellant heeft nagelaten het college tijdig van zijn werkzaamheden op de hoogte te stellen - voor risico van appellant.

4.6.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak komt daarom voor bevestiging in aanmerking.

5.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en A.M. Overbeeke en

M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2013.

(getekend) O.L.H.W.I. Korte

(getekend) B. Rikhof

HD