Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1832

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
11-128 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag bijstand. Appellant heeft onvoldoende informatie verstrekt, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

Wetsverwijzingen
Wet werk en bijstand
Wet werk en bijstand 11
Wet werk en bijstand 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/199
USZ 2013/331
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/128 WWB

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Roermond van 16 december 2010, 10/1041 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Venlo (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. S. Smeets, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. A. Holman, kantoorgenoot van mr. Smeets. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J.H.M.S. Crienen.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellant is bij vonnis van het Landgericht Düsseldorf van 18 januari 2008 veroordeeld tot een gevangenisstraf van vier jaar voor het tegen betaling vervoeren van cocaïne van Venlo naar Düsseldorf. Appellant was vanaf 22 juni 2007 tot 5 januari 2010 in Duitsland gedetineerd. [naam echtgenote], zijn echtgenote, had tot 30 september 2009 inkomsten uit loondienst. Zij ontving van 1 oktober 2009 tot en met 31 december 2009 een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet. Tot het gezin van appellant behoren twee jonge kinderen.

1.2.

Op 5 januari 2010 heeft appellant samen met [naam echtgenote] een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend.

1.3.

Bij besluit van 19 april 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 20 juli 2010 (bestreden besluit), heeft het college de aanvraag afgewezen. Hieraan heeft het college ten grondslag gelegd dat aannemelijk is dat appellant geld heeft verdiend met drugstransporten, maar dat appellant hierin geen inzicht heeft gegeven. Weliswaar verschaffen de door appellant ingeleverde rekeningafschriften inzicht in het girale verkeer, maar daarmee is onvoldoende aangetoond hoe appellant en [naam echtgenote] voorafgaand aan de aanvraag in het levensonderhoud hebben voorzien. Appellant heeft onvoldoende informatie verstrekt, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.

1.4.

Appellant en [naam echtgenote] hebben beroep bij de rechtbank ingesteld tegen het bestreden besluit en tevens een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening ingediend.

1.5.

Bij uitspraak van 27 september 2010 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Roermond bepaald dat het college aan appellant en [naam echtgenote] de gebruikelijke voorschotten toekent met ingang van 1 september 2010 tot zes weken na de datum waarop de rechtbank op het beroep in de hoofdzaak heeft beslist. Daartoe heeft de voorzieningenrechter, voor zover van belang, overwogen dat onaannemelijk is dat appellant, die op grond van het vonnis slechts als een klein onderdeel van de organisatie kan worden gezien, in 2007 gedurende betrekkelijk korte tijd zodanig hoge bedragen heeft ontvangen dat het recht op bijstand over de te beoordelen periode van 5 januari 2010 tot en met 19 april 2010 niet kan worden vastgesteld. Uit de overgelegde bankafschriften is echter af te leiden dat in de laatste maand van 2009 en de eerste twee maanden van 2010 slechts geringe bedragen van de bankrekeningen zijn opgenomen. Dit roept de vraag op of er in die periode rond de beëindiging van de detentie van appellant gebruik is gemaakt van andere middelen om in het levensonderhoud te voorzien. Daarom is de voorzieningenrechter van oordeel dat er over die maanden zodanige onduidelijkheid bestaat dat het recht op uitkering daarover niet is vast te stellen.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank, vooral onder verwijzing naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Appellant stelt zich op het standpunt dat hij met ingang van 1 maart 2010 recht heeft op bijstand. Appellant heeft over de periode voorafgaand en direct na de aanvraag alle mogelijke beschikbare bankafschriften en andere noodzakelijke stukken overgelegd en aan zijn inlichtingenplicht voldaan. Hij betwist dat hij andere inkomsten had. Voor het vervoeren van verdovende middelen heeft hij geen geld ontvangen. Omdat het niet hebben van inkomsten niet te bewijzen valt, dient het college te bewijzen dat hij andere inkomsten had. Ten slotte verzoekt appellant schadevergoeding bestaande uit de wettelijke rente over de ten onrechte niet verleende bijstand.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij aanvragen om bijstand rust de bewijslast van bijstandbehoevendheid in beginsel op de aanvrager zelf. Daarbij dient de betrokkene duidelijkheid te verschaffen over onder meer zijn financiële situatie. Indien de aanvrager niet aan de inlichtingenverplichting voldoet, is dat een grond voor weigering van bijstand indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in welke mate de aanvrager recht op bijstand heeft.

4.2.

In het geval van appellant houdt de in 4.1 omschreven bewijslast in dat appellant aan de hand van objectieve en verifieerbare gegevens dient aan te tonen op welke wijze hij in de maanden voorafgaand aan de aanvraag en in de periode van de aanvraag tot het besluit van

19 april 2010 in de noodzakelijke kosten van het bestaan heeft voorzien.

4.3.

In bezwaar heeft appellant de bankafschriften van de rekeningen van [naam echtgenote] en hemzelf overgelegd over de periode van januari 2009 tot en met mei 2010. Uit het bestreden besluit, zoals nader toegelicht in de verweerschriften in beroep en in hoger beroep, komt naar voren dat het college aan de hand van de bankafschriften heeft berekend hoe hoog de huishoudelijke uitgaven waren. Voor de huishoudelijke uitgaven is het college uitgegaan van de uit de bankafschriften blijkende kasopnames en de pinbetalingen bij supermarkten, drogisterijen en warenhuizen. De pinbetalingen bij benzinestations zijn hierbij buiten beschouwing gelaten. Uit de berekening volgt dat aan huishoudelijke uitgaven in 2009 in november € 216,12 en in december € 388,91 is uitgegeven. Voorts is in 2010 in januari

€ 106,-, in februari € 287,-, in maart € 878,71 en in april € 854,- uitgegeven aan huishoudelijke uitgaven. Deze uitgaven heeft het college voor 2009 gerelateerd aan de NIBUD maandnorm voor een alleenstaande met twee kinderen van € 518,- en voor 2010 aan de NIBUD maandnorm voor een echtpaar met twee kinderen van € 639,-. Daarvan uitgaande heeft het college geconcludeerd dat niet aannemelijk is dat het gezin van appellant van de berekende geringe huishoudkosten heeft geleefd.

4.4.1.

Als verklaring voor de lage uitgaven voor huishoudkosten gedurende de laatste twee maanden van 2009 en de eerste twee maanden van 2010 heeft appellant ter zitting van de Raad het volgende naar voren gebracht. Appellanten hadden die maanden weinig te besteden, zodat zij heel zuinig hebben geleefd en eerst hun voorraden hebben opgemaakt. In aanvulling hierop hebben zij contant geld ontvangen van familie, hebben zij hulp gekregen vanuit de moskee en hebben zij bij een Turkse winkel op rekening levensmiddelen ontvangen.

4.4.2.

Appellant heeft echter het bestaan van een voorraad, het van familie ter leen verkrijgen van gelden en het op rekening verkrijgen van goederen van derden op geen enkele wijze aannemelijk gemaakt. Voorts heeft appellant niet met verifieerbare gegevens onderbouwd dat hij in de desbetreffende maanden schulden heeft gemaakt waaraan een concrete terugbetalingsverplichting is verbonden. Hieruit volgt dat appellant de onduidelijkheid over de zijn financiële situatie in de twee maanden voor de aanvraag en de periode van de aanvraag tot het besluit van 19 april 2010 niet heeft kunnen wegnemen. Door dit na te laten heeft hij de op hem rustende inlichtingenverplichting geschonden, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De enkele omstandigheid dat de huishoudelijke uitgaven in de maanden maart en april 2010 meer bedroegen dan de NIBUD maandnorm is in het licht van de aanzienlijke afwijking van die norm in de daaraan voorafgaande vier maanden onvoldoende voor de conclusie dat het recht op bijstand vanaf maart 2010 wel is vast te stellen.

4.4.3.

Appellant houdt vol dat hij ten onrechte is veroordeeld voor het vervoeren van verdovende middelen en dat hij in verband daarmee geen inkomsten heeft ontvangen. Wat daar ook van zij, dit laat echter onverlet dat appellant geen toereikende verklaring heeft gegeven voor het door het college op grond van de bankafschriften vastgestelde opvallend lage uitgavenpatroon voor huishoudelijke uitgaven in de hiervoor genoemde vier maanden.

4.5.

Uit 4.3 en 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd. Hieruit volgt dat geen bijstand moet worden nabetaald. Het verzoek om veroordeling van het college tot vergoeding van renteschade moet daarom worden afgewezen.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uispraak;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.

Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en A.M. Overbeeke en

M.F. Wagner als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2013.

(getekend) mr. Korte

(getekend) B. Rikhof

sg