Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1829

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
12-4060 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijzing aanvraag om bijstand. Appellant was in de te beoordelen periode niet aan te merken als een alleenstaande ouder. Niet in geschil is dat het vermogen van appellant in die periode hoger was dan de voor een alleenstaande geldende vermogensgrens. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat van een relevante wijziging in de omstandigheden geen sprake is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2013/167
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/4060 WWB, 12/4061 WWB

Datum uitspraak: 24 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 juni 2012, 10/1816 en 10/2797 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.J. Coxon hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 augustus 2013. Voor appellant is verschenen mr. S. Wortel, kantoorgenoot van mr. Coxon. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. van Beveren.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

1.1.

Appellant ontving sinds 3 september 2001 bijstand, laatstelijk, naar de norm voor een alleenstaande op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Hij woont op het adres [adres 1] te[woonplaats]. Appellant heeft een minderjarige zoon, [naam zoon] (zoon). Ten tijde in geding was de zoon uit huis geplaatst. Op 7 december 2009 is de zoon in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven op het adres van appellant.

1.2.

Bij besluit van 29 september 2009, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 april 2010 (bestreden besluit 1), heeft het college, voor zover van belang, de bijstand van appellant met ingang van 18 augustus 2009 ingetrokken. Aan deze besluitvorming heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant beschikte over een vermogen boven de voor hem geldende vermogensgrens, aangezien hij beschikte over een bedrag van € 13.000,-.

1.3.

Op 11 januari 2010 heeft appellant een nieuwe aanvraag om bijstand op grond van de WWB ingediend. Op het aanvraagformulier heeft appellant vermeld dat de zoon wel op zijn woonadres staat ingeschreven, maar niet bij hem verblijft.

1.4.

Bij besluit van 10 maart 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 juli 2010 (bestreden besluit 2), heeft het college de aanvraag om bijstand afgewezen. Aan het bestreden besluit 2 heeft het college, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Appellant kon in de periode in geding geen aanspraak maken op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder, zodat voor hem in die periode de vermogensgrens voor een alleenstaande gold. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij ten tijde van de aanvraag zodanig op zijn vermogen van € 13.000,- had ingeteerd dat dit vermogen onder die grens was gekomen. Uitgaande van de vermogensgrens voor een alleenstaande zou appellant vanaf 18 augustus 2009 gedurende dertien maanden moeten interen op zijn vermogen van

€ 13.000,-. Gelet hierop heeft appellant niet aangetoond of aannemelijk gemaakt dat zijn omstandigheden ten tijde van het indienen van de aanvraag in relevante mate waren gewijzigd ten opzichte van zijn omstandigheden die hebben geleid tot het na bezwaar gehandhaafde intrekkingsbesluit van 29 september 2009.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen tegen de bestreden besluiten 1 en 2 ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover daarbij het beroep tegen het bestreden besluit 2 ongegrond is verklaard. Hij heeft aangevoerd dat om de volgende reden wel sprake is van een relevante wijziging in zijn omstandigheden. Ten tijde van de aanvraag woonde de zoon bij appellant, zodat appellant diende te worden aangemerkt als een alleenstaande ouder. Dit betekent dat de voor een alleenstaande ouder van toepassing zijnde vermogensgrens van toepassing was. Zijn vermogen lag ten tijde van de aanvraag onder die grens.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Indien periodieke bijstand is beëindigd of ingetrokken en de betrokkene een aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat er sprake is van een wijziging in omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.

4.2.

Artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b, van de WWB bepaalt, voor zover hier van belang, dat onder een alleenstaande ouder wordt verstaan de ongehuwde die de volledige zorg heeft voor een of meer tot zijn last komende kinderen en geen gezamenlijke huishouding voert met een ander. Ingevolge artikel 4, eerste lid, aanhef en onder e, van de WWB, zoals deze bepaling luidde ten tijde in geding, wordt onder een ten laste komend kind verstaan het kind jonger dan 18 jaar voor wie de alleenstaande ouder of de gehuwde aanspraak op kinderbijslag kan maken. Vaststaat, en appellant heeft dat ook erkend, dat appellant in de hier te beoordelen periode, die loopt van 11 januari 2010 tot en met 10 maart 2010, geen aanspraak kon maken op kinderbijslag voor de zoon, die uit huis was geplaatst. Dat betekent dat de zoon in de te beoordelen periode niet als een ten laste komend kind van appellant in de zin van artikel 4 van de WWB kan worden aangemerkt. Of de zoon, ondanks de uithuisplaatsing, in die periode al dan niet feitelijk bij appellant woonde, is daarbij, anders dan appellant meent, niet relevant.

4.3.

Het ter zitting namens appellant gevoerde betoog dat strikte handhaving van de dwingendrechtelijke voorschriften van artikel 4, eerste lid, aanhef en onder b en e, van de WWB in dit geval geen rechtsplicht meer kan zijn, slaagt niet, reeds omdat appellant dit betoog op geen enkele wijze heeft onderbouwd.

4.4.

Uit 4.2 en 4.3 volgt dat appellant, anders dan hij heeft gesteld, in de te beoordelen periode niet was aan te merken als een alleenstaande ouder. Niet in geschil is dat het vermogen van appellant in die periode hoger was dan de voor een alleenstaande geldende vermogensgrens. Het college heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat van een relevante wijziging in de omstandigheden in de in 4.1 bedoelde zin geen sprake is.

4.5.

Uit 4.2 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en W.F. Claessens en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M. Sahin als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2013.

(getekend) J.P.M. Zeijen

(getekend) M. Sahin

EH