Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1828

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
12-1211 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontslag. Het college was bevoegd om appellant ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid voor zijn betrekking. Het ontbrak appellant aan de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van zijn functie vereist waren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

--12/1211 AW

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 11 januari 2012, 11/3213 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te[woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Roosendaal (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. H. Weinans, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2013. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Weinans. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door

J.P.M. Backx-de Backer en ing. P. van Kempen.

OVERWEGINGEN

1.

Voor een meer uitgebreide beschrijving van de hier van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat hier met het volgende.

1.1.

Appellant was sinds 1 augustus 2001 in vaste dienst werkzaam bij de gemeente Roosendaal, vanaf 1 april 2002 als [naam functie] bij de [afdeling 1] en vanaf 1 mei 2006 bij de [afdeling 2].

1.2.

Na een voornemen daartoe, waarop appellant zijn reactie heeft gegeven, heeft het college bij besluit van 7 oktober 2010 aan appellant met toepassing van artikel 8:6 van de arbeidsvoorwaardenregeling van de gemeente Roosendaal (AVR) met ingang 1 maart 2011 eervol ontslag verleend wegens onbekwaamheid of ongeschiktheid voor het door hem beklede ambt, anders dan op grond van ziels- of lichaamsgebreken. Bij besluit van 18 maart 2011 heeft het college de ontslagdatum gewijzigd in 8 juni 2011. Na bezwaar heeft het college deze besluiten gehandhaafd bij besluit van 3 mei 2011 (bestreden besluit).

2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellant heeft in hoger beroep, samengevat, aangevoerd dat er onvoldoende grond was om hem wegens ongeschiktheid te ontslaan. Het college had meer rekening had moeten houden met de beperkingen in de belastbaarheid van appellant. Verder is onvoldoende duidelijk gemaakt aan welke eisen een [naam functie] moet voldoen. Ook is hem geen reële kans op verbetering geboden. Het college had appellant, in plaats van verlening van ontslag, moeten herplaatsen.

4.

De Raad oordeelt als volgt.

4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (CRvB 20 oktober 2011, LJN BU1926) moet ongeschiktheid - zich uitend in het ontbreken van eigenschappen, mentaliteit en/of instelling die voor het op goede wijze vervullen van de functie vereist zijn - worden aangetoond aan de hand van concrete gedragingen van de ambtenaar. Voorts zal in het algemeen van een ontslag op de hier gehanteerde grond niet eerder sprake kunnen zijn dan nadat de ambtenaar door het bevoegd gezag op zijn functioneren of gedrag is aangesproken en in de gelegenheid is gesteld dit te verbeteren.

4.2.

Uit de gedingstukken komt naar voren dat op 23 maart 2007 met appellant is afgesproken dat de tijdigheid en kwaliteit van zijn werk periodiek zal worden besproken. In gesprekken op 9 mei 2007 en 3 juli 2007 is geconstateerd dat appellant onvoldoende voortgang boekt bij de aanbesteding van de onderhoudscontracten. De algemene indruk van de prestaties van appellant is redelijk. Verder is appellant in gesprekken op 4 juni 2007 en 1 juli 2007 aangesproken op het doen van onbehoorlijke uitspraken in een telefoongesprek met zijn leidinggevende op vrijdagavond 1 juni 2007. In een gesprek op 7 september 2007 is vervolgens geconstateerd dat het functioneren van appellant, na het gesprek op 1 juli 2007, een licht stijgende lijn laat zien, maar dat er zorg bestaat voor terugval en dat hij zijn best moet doen om vertrouwen terug te winnen. Ook op 16 januari 2008 is een stijgende lijn in het functioneren zichtbaar.

4.3.

Op basis van de gedingstukken kan voorts worden aangenomen dat appellant een bovenmatig ziekteverzuim kende. Appellant is hierop aangesproken op 7 september 2007 en 20 maart 2008, waarna hij een behandeling is gestart om zijn alcoholgebruik af te bouwen. Vervolgens is op 10 juli 2008 geconstateerd dat de behandeling tot zeer positieve resultaten heeft geleid in het functioneren. Appellant is echter op 21 december 2009 te kennen gegeven dat hij onvoldoende uren heeft gewerkt, omdat hij op 14 december 2009 volledig arbeidsgeschikt was, maar daarentegen 50% is gaan werken.

4.4.

Op 23 oktober 2008 en 28 juli 2009 is het functioneren van appellant weliswaar als voldoende beoordeeld, maar is hem te kennen gegeven dat het algeheel functioneren nog naar een hoger niveau getild moet worden. Aan appellant kan worden toegegeven dat het college bij deze beoordelingen duidelijker onderscheid had kunnen maken in de functie-eisen die aan een projectleider worden gesteld en de functie-eisen die aan een [naam functie] worden gesteld. Dat neemt niet weg dat hem, naar het oordeel van de Raad, in de onder 4.2 en 4.3 genoemde gesprekken in samenhang beschouwd, in voldoende mate inzicht is gegeven in de tekortkomingen in zijn functioneren.

4.5.

Appellant wordt niet gevolgd in zijn betoog dat het college onvoldoende rekening heeft gehouden met de beperkingen in zijn belastbaarheid. Dat zijn werkdruk hoog was wordt door het college niet betwist. Uit de gedingstukken komt echter voldoende overtuigend naar voren dat hij deze werkdruk had kunnen en moeten verlichten door minder nevenactiviteiten te verrichten. Dat enkele van deze nevenactiviteiten zijn verricht met instemming van het college doet niet af aan de verantwoordelijkheid van appellant om ervoor zorg te dragen dat het uitvoeren van nevenwerkzaamheden niet ten koste gaat van de werkzaamheden die primair voortvloeien uit zijn aanstelling.

4.6.

Appellant is in een gesprek op 18 november 2009 duidelijk gemaakt dat hij onvoldoende vooruitgang laat zien in zijn functioneren, waarbij hem een laatste waarschuwing is gegeven. Hij is erop gewezen dat het gemalenbeheer onvoldoende is, dat bij een periodiek functioneel overleg met een lid van het college steeds een teamleider aanwezig moet zijn en dat rapportages niet op orde zijn. In een vervolggesprek op 25 november 2009 is hem begeleiding aangeboden, zoals via het IZA-bedrijfszorgpakket, het Regionaal Loopbaan Centrum, bedrijfsmaatschappelijk werk en psychologische hulp. Appellant heeft van deze mogelijkheden geen gebruik gemaakt.

4.7.

Op grond van het voorgaande komt de Raad, met de rechtbank, tot het oordeel dat het college op goede gronden heeft geconcludeerd dat appellant vanaf maart 2007 een onvoldoende constant niveau heeft laten zien in de tijdigheid en kwaliteit van zijn werk, gepaard gaande met een hoog ziekteverzuim. Appellant is hierop aangesproken en door middel van het voeren van voortgangsgesprekken en het aanbieden van begeleiding in staat gesteld zich te verbeteren. De Raad acht deze inspanningen van het college toereikend.

4.8.

Naar aanleiding van de beroepsgrond dat het dagelijks bestuur te weinig herplaatsingsinspanningen heeft verricht, wordt overwogen dat er geen wettelijk voorschrift is dat het dagelijks bestuur verplicht is een herplaatsingsonderzoek te doen, voordat ontslag wegens ongeschiktheid wordt verleend. Er zijn in dit geval geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan het dagelijks bestuur niettemin meer herplaatsingsinspanningen had moeten ondernemen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellant geen gebruik heeft gemaakt van de begeleiding die hem in het gesprek op 25 november 2009 is aangeboden. Door het weigeren van deze begeleiding mocht het college ervan uitgaan dat er geen verbetering zou optreden in het functioneren van appellant.

4.9.

Uit 4.2 tot en met 4.8 volgt dat het college bevoegd was om appellant ontslag te verlenen wegens ongeschiktheid voor zijn betrekking. Het ontbrak appellant aan de eigenschappen, mentaliteit en instelling die voor het op goede wijze vervullen van zijn functie vereist waren. Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en H.L.C. Hermans en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2013.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) S.K. Dekker

HD