Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1824

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
19-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
11-5206 AW
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De Raad stelt vast dat slechts twee van de 23 betrokkenen (betrokkene 3 en 22) bezwaar hebben gemaakt tegen de compensatie van het ontstane renteverlies. Door de korpschef is terecht aangevoerd dat de bestreden besluiten ten aanzien van de overige 21 betrokkenen géén beslissing op een bezwaar met betrekking tot het niet toekennen van renteverlies bevatten. De term “niet-ontvankelijk” wordt in tegenstelling tot wat de rechtbank heeft overwogen in geen van de overige 21 bestreden besluiten genoemd. Het oordeel van de rechtbank dat de korpschef het bezwaar op het punt van rentecompensatie niet-ontvankelijk had moeten verklaren, maar ongegrond, kan derhalve slechts van toepassing zijn op betrokkene 3 en 22. De rechtbank had de beroepen van de overige 21 betrokkenen ongegrond dienen te verklaren. Dit heeft tot gevolg dat de in de (gerectificeerde) uitspraak opgelegde vergoeding van het griffierecht enkel kan gelden voor betrokkene 3 en 22. Het hoger beroep van de korpschef op dit punt slaagt deels. De korpschef heeft terecht aangevoerd dat de rechtbank gehandeld heeft in strijd met de beginselen van een goede procesorde.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
TAR 2014/33
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

11/5206 AW e.v. (zie bijlage)

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraak van de rechtbank Maastricht van 27 juli 2011, 11/298 e.v. (aangevallen uitspraak)

Partijen:

De korpsbeheerder van de politieregio Limburg Zuid, thans korpschef van politie (korpschef)

[Betrokkene] te[woonplaats] en 22 anderen, zoals vermeld op de bij deze uitspraak behorende bijlage (betrokkenen)

PROCESVERLOOP

De korpschef heeft hoger beroepen ingesteld.

Namens betrokkene 1 en 2 heeft mr. H.J. Weekers hoger beroepen ingesteld.

Zowel de korpschef als betrokkenen hebben een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juni 2013. De korpschef heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.P.C.W. Tummers. Betrokkene 2 is verschenen, bijgestaan door mr. Weekers. Betrokkene 1 heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Weekers. Betrokkene 3 is verschenen, bijgestaan door mr. N.D. Dane. Betrokkenen 4, 5, 6, 8, 9, 12, 13, 15, 16, 18, en 22 hebben zich laten vertegenwoordigen door mr. Dane. Betrokkene 11 heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.J. Pullens.

OVERWEGINGEN

1.1. Ingevolge artikel 5 van de Wet van 12 juli 2012 tot invoering van de Politiewet 2012 en aanpassing van overige wetten aan die wet (Invoerings- en aanpassingswet Politiewet 2012, Stb. 2012, 316) is in dit geschil de korpschef in de plaats getreden van de korpsbeheerder van de politieregio Limburg Zuid, ten name van wie het geding aanvankelijk is gevoerd. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van de korpschef, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de korpsbeheerder verstaan.

1.2. Voor een meer uitgebreide weergave van de in deze gedingen van belang zijnde feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.

1.3. Betrokkenen zijn allen werkzaam als hondengeleider bij de Politieregio Limburg Zuid. Zij ontvingen sedert 2001 een maandelijkse vergoeding voor het verzorgen van de diensthond van € 160,- bruto per maand, dat is netto ongeveer € 90,- per maand.

1.4. Met ingang van 1 januari 2010 is de landelijke Regeling voorzieningen hondengeleiders politie (Regeling) in werking getreden, inhoudende een maandelijkse vergoeding per diensthond, een maandelijkse vergoeding voor de permanente verantwoordelijkheid en als afkoopregeling een bruto eenmalige tegemoetkoming. Bij brief van 10 augustus 2010 is betrokkenen de keus gegeven om te opteren voor de handhaving van de oude korpsafspraken tot en met 31 december 2015, of te kiezen voor toepassing van de Regeling met ingang van

1 januari 2010. Betrokkenen hebben allen voor de Regeling gekozen.

1.5. Op basis van artikel 14, tweede lid, van de Regeling wordt de hoogte van de eenmalige tegemoetkoming berekend naar rato van de maandelijkse aanspraak voor hondengeleiders op 31 december 2009. Bij besluit van 18 oktober 2010, na bezwaar gehandhaafd bij besluiten van 21 januari 2011 (betrokkene 1) en 7 februari 2011 (betrokkene 2), heeft de korpschef bij de berekening van de eenmalige tegemoetkoming de aan betrokkenen verleende vergoeding van € 90,- netto per maand verhoogd met een bedrag van € 30,- vanwege de maandelijkse verstrekking van hondenvoer door het korps. Hiermee komt de totale aanspraak per maand op € 120,- en valt de tegemoetkoming in de categorie € 100,- tot en met € 150,- per maand, hetgeen een eenmalige tegemoetkoming van € 3.468,- betekent.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van betrokkenen tegen de bestreden besluiten gegrond verklaard en deze besluiten vernietigd, voor zover de bezwaren van betrokkenen tegen het niet toekennen van rentecompensatie niet-ontvankelijk zijn verklaard. De rechtbank heeft de bezwaren tegen het niet toekennen van rentecompensatie ongegrond verklaard. De aangevallen uitspraak is na een telefonisch verzoek van mr. Dane door de rechtbank gerectificeerd in de zin dat bepaald is dat de korpschef het door de 23 betrokkenen betaalde griffierecht ten bedrage van € 152,- per procedure dient te vergoeden.

3.1.

Van de 23 betrokkenen hebben betrokkene 1 en 2 hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. Zij hebben aangevoerd dat de Regeling geen grondslag biedt om vergoedingen in natura te verrekenen. Omdat de betrokkenen geen financiële vergoeding hebben ontvangen, hebben zij recht op een tegemoetkoming van € 4.954,-. Betrokkenen mochten vertrouwen op de inhoud van de e-mail van een ambtenaar van het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK), waarin artikel 14 van de Regeling wordt uitgelegd.

3.2.

De korpschef heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank buiten de omvang van het geding is getreden door een inhoudelijk oordeel te geven over het renteverlies. De bestreden besluiten bevatten geen beslissing over een bezwaar met betrekking tot het niet toekennen van rentecompensatie en er zijn geen beroepsgronden op dit punt aangevoerd. Voor zover de rechtbank wel binnen de grenzen van het geding is gebleven bestrijdt de korpschef dat hij de bezwaren op het punt van rentecompensatie niet niet-ontvankelijk had moeten verklaren, maar ongegrond. Voorts heeft de rechtbank een onjuiste toepassing gegeven aan artikel 8:74 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) voor wat betreft het griffierecht. Tot slot acht de korpschef het op verzoek van één van de partijen rectificeren van een uitspraak in strijd met de beginselen van een goede procesorde.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Betrokkenen hadden op de peildatum van 31 december 2009 recht op een vergoeding van € 90,- netto per maand voor het verzorgen van de diensthond in eigen tijd. De vraag of de korpschef op goede gronden is overgegaan tot het optellen van een bedrag van € 30,- per maand bij deze vergoeding voor het door de dienst verstrekte voer beantwoordt de Raad net als de rechtbank bevestigend. In artikel 14, tweede lid, van de Regeling is opgenomen dat de tegemoetkoming wordt berekend naar rato van de hoogte van de maandelijkse aanspraak voor hondengeleiders op 31 december 2009. Tussen partijen is niet langer in geschil dat kosten werden gemaakt voor het van dienstwege verstrekte voer en dat die kosten zijn vastgesteld op € 30,- per maand. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat onder de “maandelijkse aanspraak” niet alleen de financiële bijdrage valt, maar ook de tegemoetkomingen die de hondengeleiders in andere vorm hebben ontvangen, in dit geval in natura. De wijze waarop de vergoeding van het hondenvoer tot en met 31 december 2009 heeft plaatsgevonden, namelijk door middel van centrale inkoop door de korpschef in plaats van een financiële vergoeding, maakt voor de uitleg van de Regeling dan ook geen verschil. Aan de e-mail van de ambtenaar van het ministerie van BZK hecht de Raad geen betekenis, aangezien het de uitleg van de Regeling betreft afkomstig van een individuele ambtenaar. De korpschef kan daaraan niet gebonden worden geacht. De hoger beroepen van betrokkene 1 en 2 slagen niet.

4.2.

In tegenstelling tot wat door de rechtbank is overwogen stelt de Raad vast dat slechts twee van de 23 betrokkenen (betrokkene 3 en 22) bezwaar hebben gemaakt tegen de compensatie van het ontstane renteverlies. Door de korpschef is terecht aangevoerd dat de bestreden besluiten ten aanzien van de overige 21 betrokkenen géén beslissing op een bezwaar met betrekking tot het niet toekennen van renteverlies bevatten. De term “niet-ontvankelijk” wordt in tegenstelling tot wat de rechtbank heeft overwogen in geen van de overige 21 bestreden besluiten genoemd. Het oordeel van de rechtbank dat de korpschef het bezwaar op het punt van rentecompensatie niet niet-ontvankelijk had moeten verklaren, maar ongegrond, kan derhalve slechts van toepassing zijn op betrokkene 3 en 22. De rechtbank had de beroepen van de overige 21 betrokkenen ongegrond dienen te verklaren. Dit heeft tot gevolg dat de in de (gerectificeerde) uitspraak opgelegde vergoeding van het griffierecht enkel kan gelden voor betrokkene 3 en 22. Het hoger beroep van de korpschef op dit punt slaagt deels.

4.3.

De korpschef heeft terecht aangevoerd dat de rechtbank gehandeld heeft in strijd met de beginselen van een goede procesorde (hoor en wederhoor) door haar uitspraak te rectificeren op verzoek van een van de partijen zonder de wederpartij (de korpschef) tevoren in de gelegenheid te stellen zich hierover uit te laten. De Raad zal hieraan echter geen gevolgen verbinden, nu de onterechte gevolgen van deze rectificatie reeds worden ongedaan gemaakt door deze uitspraak van de Raad.

5.

Uit het vorenstaande volgt dat de hoger beroepen van betrokkene 1 en 2 niet slagen. Het hoger beroep van de korpschef slaagt deels. De aangevallen uitspraak blijft in stand ten aanzien van betrokkene 3 en 22. Voor wat betreft de overige 21 betrokkenen vernietigt de Raad de aangevallen uitspraak en verklaart de beroepen ongegrond.

6.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat gaan aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor wat betreft betrokkene 3 en 22;

- vernietigt de aangevallen uitspraak voor wat betreft de overige 21 betrokkenen;

- verklaart de beroepen van de overige 21 betrokkenen ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door K.J. Kraan als voorzitter en H.L.C. Hermans en C.H. Bangma als leden, in tegenwoordigheid van S.K. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 september 2013.

(getekend) K.J. Kraan

(getekend) S.K. Dekker

HD

Bijlage

Procedurenummer Betrokkenen Gemachtigde

1. 11/5206

[Betrokkene]

2. 11/5207

[Betrokkene]

3. 11/5322

[Betrokkene]

4. 11/5323

[Betrokkene]

5. 11/5324

[Betrokkene]

6. 11/5326

[Betrokkene]

7. 11/5327

[Betrokkene]

8. 11/5328

[Betrokkene]

9. 11/5329

[Betrokkene]

10. 11/5330

[Betrokkene]

11. 11/5331

[Betrokkene]

12. 11/5332

[Betrokkene]

13. 11/5334

[Betrokkene]

14. 11/5335

[Betrokkene]

15. 11/5336

[Betrokkene]

16. 11/5338

[Betrokkene]

17. 11/5340

[Betrokkene]

18. 11/5341

[Betrokkene]

19. 11/5342

[Betrokkene]

20. 11/5343

[Betrokkene]

21. 11/5344

[Betrokkene]

22. 11/5345

[Betrokkene]

23. 11/5346

[Betrokkene]