Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CRVB:2013:1821

Instantie
Centrale Raad van Beroep
Datum uitspraak
24-09-2013
Datum publicatie
25-09-2013
Zaaknummer
12-277 WWB
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Terugvordering bijstand. Gezamenlijke huishouding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

12/277 WWB

Datum uitspraak: 24 september 2013

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van

7 december 2011, 10/9098 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

het college van burgemeester en wethouders van Delft (college)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend



Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaak 11/2992 WWB, plaatsgehad op

13 augustus 2013. Appellante is, met bericht, niet verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Schokker. Na de behandeling ter zitting zijn de gevoegde zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN

1.

De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.

1.1.

Appellante ontving sinds 31 december 2002 bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%, laatstelijk ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB).

1.2.

Bij besluit van 7 december 2009 heeft het college de aan appellante verleende bijstand over de periode van 1 april 2005 tot en met 30 juni 2009 ingetrokken. Daaraan heeft het college ten grondslag gelegd dat appellante de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden door bij het college niet te melden dat zij een gezamenlijke huishouding voert met [A.] (A) en dat als gevolg daarvan aan haar ten onrechte bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder is verleend. Tevens heeft het college bij dat besluit de over de genoemde periode gemaakte kosten van bijstand van appellante teruggevorderd tot een bedrag van € 50.571,66.

1.3.

Het college heeft het tegen het besluit van 7 december 2009 ingediende bezwaar bij besluit van 20 april 2010 niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding.

1.4.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 20 april 2010 ingestelde beroep bij uitspraak 3 november 2010 ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak heeft appellante geen hoger beroep ingesteld.

1.5.

Naar aanleiding van het bezwaar van A tegen het aan hem gerichte besluit tot medeterugvordering van de kosten van de aan appellante verleende bijstand heeft het college bij besluit van 25 mei 2010 - ambtshalve - het aan appellante gerichte besluit van 7 december 2009 herzien en bepaald dat slechts de kosten van de aan appellante over de periode van

1 april 2005 tot en met 25 augustus 2008 verleende bijstand van haar worden teruggevorderd. Het college heeft het terug te vorderen bedrag nader vastgesteld op € 38.781,70 bruto.

1.6.

Bij besluit van 12 november 2010 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar tegen het besluit van 25 mei 2010 ongegrond verklaard.

2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.

3.

Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij heeft aangevoerd dat ten onrechte is aangenomen dat zij in de periode van 1 april 2005 tot en met 25 augustus 2008 een gezamenlijke huishouding voerde met A. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat zij het college steeds naar behoren heeft geïnformeerd. Zij heeft verder betoogd dat sprake is van een nieuw feit omdat de politierechter haar op 3 september 2010 heeft vrijgesproken van bijstandsfraude. Hierin had het college aanleiding moeten vinden om het besluit van

7 december 2009 te herzien in die zin dat geheel van terugvordering wordt afgezien. Subsidiair heeft appellante gesteld dat het terugvorderingsbeleid van het college onredelijk is en dat er dringende redenen zijn om van terugvordering af te zien.

4.

De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Bij het bij het bestreden besluit gehandhaafde besluit van 25 mei 2010 heeft het college het besluit van 7 december 2009 herzien en het van appellante teruggevorderde bedrag beperkt. Dit impliceert dat het college bij het besluit van 25 mei 2010 heeft geweigerd het besluit van 7 december 2009 in verder gaande mate dan het heeft gedaan ten voordele van appellante te herzien. De toetsing van een dergelijke weigering is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht, in beginsel beperkt tot het beantwoorden van de vraag of de belanghebbende nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd.

4.2.

Appellante heeft geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden aangevoerd. De beroepsgronden van appellante dat geen sprake was van een gezamenlijke huishouding, dat zij de inlichtingenverplichting niet heeft geschonden, dat het terugvorderingsbeleid niet redelijk is en dat er dringende redenen bestaan om van terugvordering af te zien had appellante aan de orde kunnen stellen, indien zij tijdig bezwaar had gemaakt tegen het besluit van 7 december 2009. Het feit dat appellante bij vonnis van 3 december 2010 door de politierechter is vrijgesproken van bijstandsfraude is evenmin een nieuw feit of veranderde omstandigheid op grond waarvan het college in verder gaande mate dan het heeft gedaan ten gunste van appellante het besluit van 7 december 2009 had moeten herzien. Volgens vaste rechtspraak (CRvB 22 februari 2011, LJN BP5715) is de bestuursrechter immers in de vaststelling van en het oordeel over het hem voorgelegde geschil in het algemeen niet gebonden aan hetgeen in een strafrechtelijk geding door de desbetreffende rechter is geoordeeld, te minder nu in een strafrechtelijke procedure een andere rechtsvraag voorligt en een ander procesrecht van toepassing is.

4.3.

Uit wat hiervoor is overwogen vloeit voort dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5.

Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

6.

Ten overvloede wordt opgemerkt dat de Raad in zijn uitspraak van heden in het geding tussen A en het college (reg.nr. 11/2992 WWB) heeft geoordeeld dat voldoende feitelijke grondslag bestaat voor het standpunt van het college dat appellante en A over de periode van 1 april 2005 tot en met 25 augustus 2008 een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd, maar dat appellante niet de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Van de kant van het college is ter zitting toegezegd dat in dat geval de onder 1.2 en 1.5 genoemde besluiten zullen worden herzien.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door J.J.A. Kooijman als voorzitter en A.M. Overbeeke en

F. Hoogendijk als leden, in tegenwoordigheid van V.C. Hartkamp als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 september 2013.

(getekend) J.J.A. Kooijman

(getekend) V.C. Hartkamp

EH